ECLI:NL:RVS:2019:1853
Raad van State
- Hoger beroep
- E. Steendijk
- Rechtspraak.nl
Bevestiging uitspraak rechtbank inzake afwijzing machtiging voorlopig verblijf vreemdeling
Bij besluit van 16 november 2016 wees de staatssecretaris een aanvraag van een vreemdeling om een machtiging tot voorlopig verblijf af. De vreemdeling en een referent maakten bezwaar tegen dit besluit, dat op 20 juni 2017 ongegrond werd verklaard door de staatssecretaris. Vervolgens stelde de rechtbank Den Haag het beroep van de vreemdeling en referent tegen deze afwijzing op 27 augustus 2018 gegrond, vernietigde het besluit en bepaalde dat de staatssecretaris een nieuw besluit moest nemen.
De staatssecretaris ging in hoger beroep tegen deze uitspraak, maar het hogerberoepschrift bevatte geen nieuwe vragen die van belang zijn voor rechtseenheid, rechtsontwikkeling of rechtsbescherming. Daarom werd het hoger beroep als kennelijk ongegrond verworpen en werd de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State veroordeelde de minister van Justitie en Veiligheid tot vergoeding van de proceskosten van de vreemdeling en referent en legde tevens griffierecht op. De uitspraak werd in het openbaar gedaan op 6 juni 2019 door de enkelvoudige kamer onder leiding van E. Steendijk.
Uitkomst: Het hoger beroep van de staatssecretaris wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.