ECLI:NL:RVS:2019:1863
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Sevenster
- G.M.H. Hoogvliet
- H.J.M. Baldinger
- Rechtspraak.nl
Vernietiging en terugwijzing in hoger beroep tegen afwijzing machtiging voorlopig verblijf vreemdelingen
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees op 20 februari 2017 aanvragen van drie Eritrese vreemdelingen om een machtiging tot voorlopig verblijf af. De vreemdelingen, waaronder een vrouw die stelt een kerkelijk huwelijk te hebben gesloten met een referent en twee minderjarige pleegkinderen, stelden dat zij een gezinsband met de referent hadden die in Nederland verblijft met een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd.
De rechtbank Den Haag verklaarde het beroep van de vreemdelingen gegrond, vernietigde het besluit van de staatssecretaris en beval een nieuw besluit met inachtneming van haar uitspraak. De staatssecretaris ging in hoger beroep en stelde dat de rechtbank ten onrechte niet alle standpunten uit het besluit had betrokken, waaronder tegenstrijdige verklaringen over identiteitsdocumenten en geboortedata.
De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat de rechtbank inderdaad belangrijke bezwaren en documenten niet had betrokken in haar beoordeling, waardoor het besluit van de staatssecretaris onvoldoende was gemotiveerd. Daarom werd het hoger beroep gegrond verklaard, het vonnis van de rechtbank vernietigd en de zaak terugverwezen voor een nieuwe behandeling en beslissing met inachtneming van de overwegingen van de Afdeling.
Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd gedaan door de voorzitter en twee leden van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op 12 juni 2019.
Uitkomst: Het hoger beroep van de staatssecretaris is gegrond verklaard, het vonnis van de rechtbank vernietigd en de zaak terugverwezen.