ECLI:NL:RVS:2019:1926
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging rechtbankuitspraak afwijzing machtiging tot voorlopig verblijf vreemdeling
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees op 1 juni 2017 een aanvraag van een vreemdeling voor een machtiging tot voorlopig verblijf af. Hiertegen maakte de vreemdeling bezwaar, dat op 20 april 2018 ongegrond werd verklaard. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling tegen deze beslissing gegrond, vernietigde het besluit en bepaalde dat de staatssecretaris een nieuw besluit moest nemen met inachtneming van de uitspraak.
De staatssecretaris stelde hiertegen hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De vreemdeling gaf een schriftelijke uiteenzetting, waarna het onderzoek werd gesloten. De Raad van State oordeelde dat het hoger beroep geen nieuwe vragen bevatte die beantwoord moesten worden in het belang van rechtseenheid, rechtsontwikkeling of rechtsbescherming.
Daarom verklaarde de Raad het hoger beroep kennelijk ongegrond en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. Tevens werd de staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van de vreemdeling en werd een griffierecht opgelegd.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt het vonnis van de rechtbank en verklaart het hoger beroep van de staatssecretaris ongegrond.