ECLI:NL:RVS:2019:1927
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging uitspraak rechtbank inzake intrekking verblijfsvergunning en verwijzing beroep
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid trok bij besluiten van 11 februari 2016 de verblijfsvergunning van de vreemdeling per 14 juli 2015 in en wees zijn aanvraag tot wijziging van de beperking van die vergunning af. Na bezwaar verklaarde de staatssecretaris bij besluit van 29 maart 2018 de bezwaren gedeeltelijk gegrond en trok de vergunning per 1 maart 2016 in. De vreemdeling stelde beroep in tegen dit besluit en de rechtbank verklaarde dit beroep gegrond, vernietigde het besluit en bepaalde dat de staatssecretaris een nieuw besluit moest nemen.
De staatssecretaris stelde hiertegen hoger beroep in bij de Raad van State. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat het hoger beroep kennelijk ongegrond was en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. Het nieuwe besluit van 21 februari 2019, waarin de verblijfsvergunning opnieuw werd ingetrokken per 24 september 2016, werd geacht ook onderwerp van het geding te zijn en werd naar de rechtbank verwezen voor behandeling en beslissing.
Daarnaast werd de staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van de vreemdeling en werd een griffierecht opgelegd. De uitspraak werd in het openbaar gedaan op 19 juni 2019.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt de uitspraak van de rechtbank en verwijst het beroep tegen het nieuwe besluit naar de rechtbank.