ECLI:NL:RVS:2019:1962
Raad van State
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening tegen maatwerkvoorschriften geurhinder mestverwerking
Het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant stelde op 25 april 2018 maatwerkvoorschriften vast voor de mestverwerkingsinrichting van verzoekster te Helmond vanwege geurhinder die het aanvaardbare niveau zou overschrijden. Verzoekster betwistte de gegrondheid van deze voorschriften en stelde hoger beroep in na vernietiging van enkele voorschriften door de rechtbank.
Verzoekster vroeg de voorzieningenrechter om schorsing van de maatwerkvoorschriften 1.1.1 (onderzoeksplicht geur) en 1.1.12 (productiebeperking tot werkdagen) in afwachting van de bodemprocedure. De voorzieningenrechter oordeelde dat de vragen omtrent de gegrondheid van de voorschriften niet in deze voorlopige voorziening kunnen worden beantwoord en dat geen sprake is van een zodanige onredelijke belasting dat schorsing gerechtvaardigd is.
Met name werd geoordeeld dat het onderzoeksplichtvoorschrift niet onredelijk is en dat de productiebeperking tot werkdagen niet in strijd is met de vergunning of disproportioneel is, mede gelet op het geurrapport uit 2013. Verzoekster kon niet aannemelijk maken dat de voorschriften in de bodemprocedure geen stand zullen houden.
Daarom wees de voorzieningenrechter het verzoek af en legde geen proceskostenveroordeling op. De uitspraak bevestigt de terughoudendheid bij voorlopige voorzieningen in milieuzaken waarbij complexe feiten en belangenafwegingen aan de orde zijn.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de maatwerkvoorschriften wordt afgewezen.