ECLI:NL:RVS:2019:2044

Raad van State

Datum uitspraak
27 juni 2019
Publicatiedatum
27 juni 2019
Zaaknummer
201806875/1/V2
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid hoger beroep tegen afwijzing verblijfsvergunning langdurig ingezetene

De vreemdeling had een aanvraag ingediend voor een EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen of een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd. Deze aanvraag werd bij besluit van 28 november 2017 door de staatssecretaris afgewezen. Vervolgens verklaarde de staatssecretaris het bezwaar van de vreemdeling ongegrond en wees de rechtbank het beroep van de vreemdeling af.

De vreemdeling stelde hiertegen hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Tijdens de procedure berichtte de staatssecretaris op 21 mei 2019 dat hij het eerdere besluit niet langer handhaaft en opnieuw zal beslissen op het bezwaarschrift. De vreemdeling gaf geen redenen aan waarom hij nog belang had bij de beoordeling van het hoger beroep.

De Raad van State verklaarde het hoger beroep daarom kennelijk niet-ontvankelijk. Tevens werd de staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van de vreemdeling, die geheel toerekenbaar waren aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard en de staatssecretaris wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.

Uitspraak

201806875/1/V2.
Datum uitspraak: 27 juni 2019
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[de vreemdeling],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, van 27 juli 2018 in zaak nr. 18/1068 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
Procesverloop
Bij besluit van 28 november 2017 heeft de staatssecretaris, voor zover nu van belang, een aanvraag van de vreemdeling om hem een EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen of een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
Bij besluit van 24 januari 2018 heeft de staatssecretaris het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 27 juli 2018 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. W. Volkers, advocaat te Groningen, hoger beroep ingesteld.
De staatssecretaris en de vreemdeling hebben een nader stuk ingediend.
Vervolgens is het onderzoek gesloten.
Overwegingen
1.    Bij brief van 21 mei 2019 heeft de staatssecretaris bericht dat hij het besluit van 24 januari 2018 niet langer handhaaft en dat hij opnieuw zal beslissen op het bezwaarschrift van 21 december 2017. De vreemdeling heeft in het nader ingediende stuk geen reden gegeven waarom hij toch nog belang heeft bij beoordeling van het door hem ingestelde hoger beroep.
2.    Het hoger beroep is kennelijk niet-ontvankelijk. De staatssecretaris moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.    verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;
II.    veroordeelt de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.536,00 (zegge: vijftienhonderdzesendertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. A. Kuijer, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. I.W.M.J. Bossmann, griffier.
w.g. Kuijer    w.g. Bossmann
lid van de enkelvoudige kamer    griffier
Uitgesproken in het openbaar op 27 juni 2019
314-915.