ECLI:NL:RVS:2019:210

Raad van State

Datum uitspraak
23 januari 2019
Publicatiedatum
24 januari 2019
Zaaknummer
201809620/2/V3
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
  • N. Verheij
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 AwbArt. 5 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorziening tot opheffing vreemdelingenbewaring

De vreemdeling is op 30 oktober 2018 in vreemdelingenbewaring gesteld. Tegen dit besluit heeft de vreemdeling beroep ingesteld bij de rechtbank Den Haag, die dit beroep op 26 november 2018 ongegrond verklaarde en het verzoek om schadevergoeding afwees.

De vreemdeling stelde vervolgens hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State en verzocht om een voorlopige voorziening tot opheffing van de vrijheidsontnemende maatregel.

De voorzieningenrechter overwoog dat een belangrijke rechtsvraag aanstaande is en dat het belang van de vreemdeling bij opheffing van de maatregel zwaarder weegt dan het belang van de staatssecretaris bij voortzetting. Daarom werd bij wijze van voorlopige voorziening de vreemdelingenbewaring per direct opgeheven. Over de schadevergoeding zal in de bodemprocedure worden beslist.

Uitkomst: De vreemdelingenbewaring wordt bij wijze van voorlopige voorziening opgeheven.

Uitspraak

201809620/2/V3.
Datum uitspraak: 23 januari 2019
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht), met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van die wet, hangende het hoger beroep van:
[de vreemdeling],
verzoeker,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, van 26 november 2018 in zaak nr. NL18.20333 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
Procesverloop
Bij besluit van 30 oktober 2018 is de vreemdeling in vreemdelingenbewaring gesteld.
Bij uitspraak van 26 november 2018 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling hoger beroep ingesteld.
Voorts heeft de vreemdeling de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
Overwegingen
1.    De eerste grief van de vreemdeling roept een rechtsvraag op waar de Afdeling op 7 maart 2019 in zaak nr. 201804030/1/V3 zitting aan zal wijden. Daarom bestaat er aanleiding om de bodemprocedure aan te houden.
2.    Mede gelet op de uit artikel 5 van Pro het EVRM voortvloeiende termijnen en de stand van zaken in de bovengenoemde procedure weegt het belang van de vreemdeling bij de opheffing van de vrijheidsontnemende maatregel zwaarder dan het belang van de staatssecretaris bij het voortduren daarvan. De voorzieningenrechter ziet dan ook aanleiding om bij wijze van voorlopige voorziening te bepalen dat de vrijheidsontnemende maatregel wordt opgeheven, voor zover de staatssecretaris daartoe nog niet is overgegaan. Over eventuele schadevergoeding zal in de bodemprocedure worden beslist.
3.    Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen is niet gebleken.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bepaalt bij wijze van voorlopige voorziening dat de vrijheidsontnemende maatregel ingaande vandaag wordt opgeheven.
Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. A.M. van Meurs-Heuvel, griffier.
w.g. Verheij    w.g. Van Meurs-Heuvel
voorzieningenrechter    griffier
Uitgesproken in het openbaar op 23 januari 2019
47-873.