ECLI:NL:RVS:2019:2121
Raad van State
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen weigering machtiging tot voorlopig verblijf
Bij besluit van 3 juni 2018 heeft de staatssecretaris aanvragen om machtigingen tot voorlopig verblijf (mvv) voor drie vreemdelingen afgewezen. De vreemdelingen en een referent maakten bezwaar tegen dit besluit, dat op 26 september 2018 ongegrond werd verklaard door de staatssecretaris. Vervolgens stelde de rechtbank Den Haag het beroep van de vreemdelingen en referent op 15 mei 2019 gegrond, vernietigde het besluit en beval de staatssecretaris DNA-onderzoek uit te voeren en binnen acht weken een nieuw besluit te nemen.
De staatssecretaris stelde hoger beroep in en verzocht de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening te treffen, zodat hij in afwachting van de uitspraak op hoger beroep niet aan de uitspraak van de rechtbank hoefde te voldoen. De vreemdelingen en referent gaven een schriftelijke reactie.
De voorzieningenrechter oordeelde dat de belangen van partijen geen aanleiding geven tot het treffen van een voorlopige voorziening. De uitspraak van de rechtbank verplicht de staatssecretaris niet tot het verlenen van de mvv's en uitvoering leidt niet tot onherstelbare gevolgen. Ook is de inspanning voor de staatssecretaris niet onevenredig. Daarom wees de voorzieningenrechter het verzoek af en veroordeelde de staatssecretaris tot vergoeding van de proceskosten van €512,00.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen en de staatssecretaris wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.