ECLI:NL:RVS:2019:2122
Raad van State
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening tegen inreisverbod na ongewenstverklaring vreemdeling
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid heeft bij besluit van 5 december 2018 een aanvraag van een vreemdeling om opheffing van zijn ongewenstverklaring ingewilligd, maar tegelijkertijd een inreisverbod tegen hem uitgevaardigd. De vreemdeling stelde beroep in tegen dit besluit, waarop de rechtbank Den Haag op 23 mei 2019 het beroep gegrond verklaarde, het besluit vernietigde en de staatssecretaris opdroeg binnen zes weken een nieuw besluit te nemen.
De staatssecretaris stelde hiertegen hoger beroep in bij de Raad van State en verzocht om een voorlopige voorziening om de uitvoering van de uitspraak van de rechtbank op te schorten totdat het hoger beroep is beslist. De vreemdeling gaf een schriftelijke reactie op dit verzoek.
De voorzieningenrechter overwoog dat de belangen van beide partijen zijn afgewogen en dat uitvoering van de uitspraak van de rechtbank geen onherstelbare gevolgen heeft en geen onevenredige inspanning van de staatssecretaris vraagt. Daarom werd het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen. Tevens werd de staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van de vreemdeling.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen en de staatssecretaris wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.