ECLI:NL:RVS:2019:2124
Raad van State
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- F.C.M.A. Michiels
- Rechtspraak.nl
Afwijzing urgentieverklaring woonruimte wegens zelfredzaamheid en onvoldoende plaatsgebonden noodzaak
Appellant verzocht het college van burgemeester en wethouders van Nijmegen om een urgentieverklaring voor woonruimte, welke bij besluit van 14 november 2018 werd afgewezen. Het bezwaar tegen dit besluit werd eveneens ongegrond verklaard. De voorzieningenrechter van de rechtbank Gelderland verklaarde het beroep van appellant ongegrond, waarna appellant hoger beroep instelde bij de Raad van State.
De kern van het geschil betreft de vraag of appellant zelfredzaam is en of er sprake is van een plaatsgebonden urgentie vanwege de school van zijn zoon. Het college stelt dat appellant, na meer dan twaalf jaar inschrijving als woningzoekende, geacht wordt zelf woonruimte te kunnen vinden mits hij niet selectief zoekt. Appellant betwist dit en voert aan dat hij niet selectief zoekt en dat het noodzakelijk is dat zijn zoon op dezelfde school blijft vanwege diens sociaal-emotionele ontwikkeling.
De Raad van State overweegt dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij niet zelfredzaam is. Hoewel hij op veel woningen heeft gereageerd, heeft hij niet op alle beschikbare woningen binnen de woningmarktregio gereageerd. Daarnaast is onvoldoende onderbouwd dat de zoon van appellant op dezelfde school moet blijven; de verklaring van de school is niet van een onafhankelijke deskundige en biedt geen bewijs dat een andere school schadelijk zou zijn. De Raad van State verklaart het hoger beroep ongegrond en bevestigt de uitspraak van de rechtbank. Tevens wijst zij het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de urgentieverklaring bevestigd.