ECLI:NL:RVS:2019:2142

Raad van State

Datum uitspraak
3 juli 2019
Publicatiedatum
3 juli 2019
Zaaknummer
201805970/1/A1
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • J.Th. Drop
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5:1 AwbArt. 5:25 AwbArt. 9 Afvalstoffenverordening 2010
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep ongegrond tegen kosten bestuursdwang voor onjuist aanbieden huishoudelijk afval

Het college van burgemeester en wethouders van Den Haag heeft op 26 januari 2018 spoedeisende bestuursdwang toegepast door een kartonnen doos te verwijderen die naast een inzamelvoorziening was geplaatst in strijd met de Afvalstoffenverordening 2010. De kosten van deze bestuursdwang, €126,00, werden aan appellant opgelegd. Appellant betwistte niet dat de doos van haar was, maar stelde dat zij de doos tijdelijk had neergezet terwijl zij andere dozen uit haar auto laadde en van plan was de doos correct aan te bieden.

Het college verklaarde het bezwaar van appellant ongegrond en appellant stelde beroep in bij de Raad van State. De Afdeling bestuursrechtspraak heeft bij zitting op 22 mei 2019 het geschil behandeld. De Afdeling oordeelde dat appellant onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat zij de doos niet onjuist had aangeboden en bevestigde dat het opgelegde bedrag geen boete betrof maar een vergoeding van de daadwerkelijke kosten van bestuursdwang.

De Afdeling verklaarde het beroep ongegrond en wees een proceskostenveroordeling af. Hiermee blijft het besluit van het college in stand dat appellant de kosten van €126,00 moet dragen voor het verwijderen van de afvaldoos die zij naast de inzamelvoorziening had geplaatst.

Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en appellant moet de kosten van €126,00 voor bestuursdwang dragen.

Uitspraak

201805970/1/A1.
Datum uitspraak: 3 juli 2019
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
[appellante], wonend te Den Haag,
en
het college van burgemeester en wethouders van Den Haag,
verweerder.
Procesverloop
Bij besluit van 30 januari 2018 heeft het college zijn beslissing om op 26 januari 2018 spoedeisende bestuursdwang toe te passen wegens het in strijd met de Afvalstoffenverordening 2010 (hierna: de Afvalstoffenverordening) aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen, op schrift gesteld. Daarbij heeft het college vermeld dat de kosten van de toepassing van bestuursdwang, € 126,00, voor rekening van [appellante] komen.
Bij besluit van 22 juni 2018 heeft het college het door [appellante] hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Tegen dit besluit heeft [appellante] beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 22 mei 2019, waar [appellante], bijgestaan door mr. P.I.A.P.M. Zwaga, advocaat te Den Haag, en het college, vertegenwoordigd door mr. F. Naghi-Zadeh, zijn verschenen.
Overwegingen
1.    De toepassing van spoedeisende bestuursdwang heeft bestaan uit het verwijderen van een kartonnen doos die op 26 januari 2018 naast een inzamelvoorziening ter hoogte van het pand aan de Badhuiskade 10 te Den Haag is aangetroffen. Omdat op de doos een adreslabel is aangetroffen met de naam- en adresgegevens van [appellante], stelt het college zich op het standpunt dat de doos van haar afkomstig is en dat zij als overtreder van artikel 9 van Pro de Afvalstoffenverordening dient te worden aangemerkt.
2.    [appellante] betwist niet dat de doos van haar afkomstig is. Zij stelt dat zij de doos even naast de inzamelvoorziening heeft laten staan, terwijl zij bezig was andere dozen uit haar auto te laden. Juist op dat moment zijn volgens haar medewerkers van de ophaaldienst van de gemeente gekomen, die de doos die er al stond hebben aangemerkt als aangeboden in strijd met de Afvalverordening. [appellante] stelt dat zij de doos niet op onjuiste wijze heeft aangeboden, maar vast van plan was die doos plat te maken en samen met haar andere papierafval in de inzamelvoorziening te doen.
2.1.    Artikel 5:25, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht luidt: "De toepassing van bestuursdwang geschiedt op kosten van de overtreder, tenzij deze kosten redelijkerwijze niet of niet geheel te zijnen laste behoren te komen."
Artikel 5:1, tweede lid, luidt: "Onder overtreder wordt verstaan: degene die de overtreding pleegt of medepleegt."
Artikel 9, eerste lid, van de Afvalstoffenverordening luidt:
"Het is de gebruiker van een perceel, voor wie krachtens artikel 4, tweede lid een inzamelmiddel of inzamelvoorziening is aangewezen, verboden de huishoudelijke afvalstoffen anders aan te bieden dan via het betreffende inzamelmiddel of de betreffende inzamelvoorziening of het betreffende brengdepot."
2.2.    Niet in geschil is dat de aangetroffen doos van [appellante] afkomstig is en zij deze doos naast de inzamelvoorziening heeft gezet. Wat [appellante] heeft aangevoerd met betrekking tot de gang van zaken nadat zij de doos heeft neergezet heeft zij niet nader onderbouwd en wordt in de stukken overigens ook niet bevestigd. Met de enkele stelling dat zij de doos niet op onjuiste wijze heeft aangeboden, maar slechts tijdelijk bij de inzamelvoorziening heeft gelegd, heeft [appellante] niet aannemelijk gemaakt dat het college haar ten onrechte als overtreder van artikel 9 van Pro de Afvalstoffenverordening heeft aangemerkt.
Ten overvloede merkt de Afdeling op dat het bij [appellante] in rekening gebrachte bedrag van € 126,00 niet, zoals zij ter zitting heeft verondersteld, een boete of strafbeschikking betreft, maar slechts het verhalen van een gedeelte van de daadwerkelijk gemaakte kosten voor het verwijderen van de doos.
Het betoog faalt.
3.    Het beroep is ongegrond.
4.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
verklaart het beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. J.Th. Drop, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Soede, griffier.
w.g. Drop    w.g. Soede
lid van de enkelvoudige kamer    griffier
Uitgesproken in het openbaar op 3 juli 2019
270-860.