ECLI:NL:RVS:2019:2177
Raad van State
- Hoger beroep
- G.T.J.M. Jurgens
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing aanvraag Verklaring Omtrent het Gedrag wegens strafrechtelijke antecedenten
De appellant heeft op 5 september 2017 een aanvraag ingediend voor een Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG) voor een chauffeurskaart als taxichauffeur. De minister wees deze aanvraag af omdat de appellant binnen de terugkijktermijn van vijf jaren meerdere strafrechtelijke veroordelingen had, waaronder mishandeling, vernieling en het niet voldoen aan de rijbewijsplicht. De minister vond dat deze antecedenten, gezien de aard en het beperkte tijdsverloop, een risico vormden voor de veiligheid van passagiers en weggebruikers.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen deze afwijzing ongegrond, waarna appellant hoger beroep instelde bij de Raad van State. Appellant stelde onder meer dat de minister de afdoening van een veroordeling ten onrechte als zwaar had beoordeeld en dat bij de beoordeling van het tijdsverloop de pleegdatum in plaats van de veroordelingsdatum had moeten worden gehanteerd.
De Raad van State oordeelde dat de minister in zijn belangenafweging terecht rekening had gehouden met de afdoening van de strafzaken, de hoeveelheid antecedenten en het beperkte tijdsverloop. De Raad verwierp het betoog over de zwaarte van de straf en het motiveringsgebrek, en bevestigde dat de minister de zwaarte van de straf zelf beoordeelt, ongeacht of een straf voorwaardelijk of onvoorwaardelijk is opgelegd.
De Raad van State verklaarde het hoger beroep ongegrond en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de VOG-aanvraag bevestigd.