ECLI:NL:RVS:2019:220
Raad van State
- Hoger beroep
- G.M.H. Hoogvliet
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking verblijfsvergunning en proceskostenvergoeding aan vreemdeling
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid trok op 16 augustus 2016 de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd van de vreemdeling in. De vreemdeling maakte bezwaar, dat door de staatssecretaris werd afgewezen. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling gegrond en vernietigde het besluit tot intrekking, waarbij zij de staatssecretaris opdroeg een nieuw besluit te nemen.
De staatssecretaris ging in hoger beroep bij de Raad van State, maar dit werd verworpen. Vervolgens heeft de staatssecretaris het bezwaar alsnog gegrond verklaard en met terugwerkende kracht een verblijfsvergunning verleend, waardoor het verblijfsgat werd opgeheven.
De Raad van State bevestigde de uitspraak van de rechtbank en veroordeelde de staatssecretaris tot vergoeding van de proceskosten van de vreemdeling, omdat de staatssecretaris pas na de uitspraak van de rechtbank aan het bezwaar tegemoet kwam. Het hoger beroep werd daarmee kennelijk ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het hoger beroep van de staatssecretaris wordt afgewezen en de intrekking van de verblijfsvergunning wordt bevestigd met proceskostenvergoeding aan de vreemdeling.