ECLI:NL:RVS:2019:220

Raad van State

Datum uitspraak
28 januari 2019
Publicatiedatum
29 januari 2019
Zaaknummer
201804228/1/V1
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • G.M.H. Hoogvliet
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 6:19 AwbArt. 6:24 AwbArt. 85 Vreemdelingenwet 2000Art. 91 Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging intrekking verblijfsvergunning en proceskostenvergoeding aan vreemdeling

De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid trok op 16 augustus 2016 de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd van de vreemdeling in. De vreemdeling maakte bezwaar, dat door de staatssecretaris werd afgewezen. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling gegrond en vernietigde het besluit tot intrekking, waarbij zij de staatssecretaris opdroeg een nieuw besluit te nemen.

De staatssecretaris ging in hoger beroep bij de Raad van State, maar dit werd verworpen. Vervolgens heeft de staatssecretaris het bezwaar alsnog gegrond verklaard en met terugwerkende kracht een verblijfsvergunning verleend, waardoor het verblijfsgat werd opgeheven.

De Raad van State bevestigde de uitspraak van de rechtbank en veroordeelde de staatssecretaris tot vergoeding van de proceskosten van de vreemdeling, omdat de staatssecretaris pas na de uitspraak van de rechtbank aan het bezwaar tegemoet kwam. Het hoger beroep werd daarmee kennelijk ongegrond verklaard.

Uitkomst: Het hoger beroep van de staatssecretaris wordt afgewezen en de intrekking van de verblijfsvergunning wordt bevestigd met proceskostenvergoeding aan de vreemdeling.

Uitspraak

201804228/1/V1.
Datum uitspraak: 28 januari 2019
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 24 april 2018 in zaak nr. 18/18 in het geding tussen:
[de vreemdeling]
en
de staatssecretaris.
Procesverloop
Bij besluit van 16 augustus 2016 heeft de staatssecretaris de aan de vreemdeling verleende verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd ingetrokken.
Bij besluit van 22 december 2017 heeft de staatssecretaris het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar opnieuw ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 24 april 2018 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar neemt met inachtneming van de uitspraak.
Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld.
De vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. M.J.M. Peeters, advocaat te Amsterdam, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Bij besluit van 20 juli 2018 heeft de staatssecretaris het tegen het besluit van 16 augustus 2016 gemaakte bezwaar gegrond verklaard en haar een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd verleend.
Vervolgens is het onderzoek gesloten.
Overwegingen
1.    Hetgeen in het hogerberoepschrift is aangevoerd en aan artikel 85, eerste en tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000 voldoet, kan niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak leiden. Omdat het aldus aangevoerde geen vragen opwerpt die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoording behoeven, wordt, gelet op artikel 91, tweede lid, van deze wet, met dat oordeel volstaan.
2.    Het hoger beroep is kennelijk ongegrond. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
3.    De staatssecretaris heeft ter uitvoering van de aangevallen uitspraak bij besluit van 20 juli 2018 het gemaakte bezwaar alsnog gegrond verklaard en de vreemdeling met terugwerkende kracht van 26 februari 2016 tot 14 maart 2017 een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd verleend, waardoor geen verblijfsgat meer bestaat. Nu hij daarmee geheel aan het bezwaar van de vreemdeling is tegemoetgekomen, mist artikel 6:19, eerste lid, gelezen in samenhang met artikel 6:24 van Pro de Awb, toepassing.
4.    De staatssecretaris moet op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten worden veroordeeld.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.    bevestigt de aangevallen uitspraak;
II.    veroordeelt de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 512,00 (zegge: vijfhonderdtwaalf euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. G.M.H. Hoogvliet, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P.A. de Vink, griffier.
w.g. Hoogvliet    w.g. De Vink
lid van de enkelvoudige kamer    griffier
Uitgesproken in het openbaar op 28 januari 2019
154-887.