AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Veroordeling staatssecretaris tot proceskostenvergoeding na onzorgvuldige procedure bij afwijzing verblijfsvergunning asiel
Bij besluiten van 2 mei 2019 wees de staatssecretaris de aanvragen van twee vreemdelingen om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd af. De vreemdelingen stelden beroep in bij de rechtbank Den Haag, die op 5 juni 2019 de beroepen ongegrond verklaarde. De vreemdelingen gingen in hoger beroep bij de Raad van State en verzochten tevens om een voorlopige voorziening.
De rechtbank had geconstateerd dat de staatssecretaris onzorgvuldig had gehandeld door een medisch advies pas na het nader gehoor in te winnen, maar had de staatssecretaris niet veroordeeld tot proceskostenvergoeding. De Raad van State oordeelde dat deze handelwijze inderdaad onzorgvuldig was en dat de rechtbank de staatssecretaris had moeten veroordelen tot vergoeding van de proceskosten die bij vreemdeling 1 waren opgekomen.
De overige grieven van de vreemdelingen werden niet gegrond verklaard omdat deze geen algemene rechtsvragen opriepen. Het hoger beroep werd kennelijk gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank vernietigd voor zover het de proceskostenvergoeding betrof, en voor het overige bevestigd. Het verzoek om voorlopige voorziening werd afgewezen. De staatssecretaris werd veroordeeld tot vergoeding van € 1.536 aan proceskosten.
Uitkomst: De staatssecretaris wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten wegens onzorgvuldige procedure bij afwijzing verblijfsvergunning asiel.
Uitspraak
201904499/1/V2 en 201904499/2/V2.
Datum uitspraak: 8 juli 2019
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 vanPro de Algemene wet bestuursrecht, hierna: de Awb) en, met toepassing van artikel 92 vanPro de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000), op het hoger beroep van:
[vreemdeling 1] en [vreemdeling 2],
appellanten,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 5 juni 2019 in zaken nrs. NL19.10721 en NL19.10795 in het geding tussen:
de vreemdelingen
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
Procesverloop
Bij onderscheiden besluiten van 2 mei 2019 heeft de staatssecretaris, voor zover thans van belang, aanvragen van de vreemdelingen om hun een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
Bij uitspraak van 5 juni 2019 heeft de rechtbank de daartegen door de vreemdelingen ingestelde beroepen ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak hebben de vreemdelingen, vertegenwoordigd door mr. S.J. Koolen, advocaat te Utrecht, hoger beroep ingesteld.
Voorts hebben de vreemdelingen de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
Vervolgens is het onderzoek gesloten.
Overwegingen
1. In de eerste grief klaagt vreemdeling 1 onder meer, dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat voor een proceskostenveroordeling geen aanleiding bestaat.
1.1. De rechtbank heeft in de uitspraak geconstateerd dat de staatssecretaris in het geval van vreemdeling 1 aanleiding heeft gezien om een medisch advies 'horen en beslissen' in te winnen bij de Forensisch Medische Maatschappij Utrecht, maar dat dit onderzoek eerst na het afnemen van het nader gehoor heeft plaatsgevonden. De rechtbank heeft deze handelwijze als onzorgvuldig aangemerkt en het gebrek met toepassing van artikel 6:22 vanPro de Awb gepasseerd. Gelet op het geconstateerde gebrek had de rechtbank de staatssecretaris moeten veroordelen tot vergoeding van bij vreemdeling 1 opgekomen proceskosten. Grief 1 slaagt in zoverre.
2. Wat de vreemdelingen verder in de grieven 1 tot en met 3 hebben aangevoerd leidt niet tot vernietiging van de uitspraak. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden hiervoor is dat het geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).
3. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd, voor zover de rechtbank de staatssecretaris niet heeft veroordeeld tot vergoeding van de in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten. De uitspraak wordt voor het overige bevestigd. Het verzoek om voorlopige voorziening wordt daarom afgewezen.
4. De staatssecretaris moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 5 juni 2019 in zaak nr. NL19.10721, voor zover de rechtbank de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid niet heeft veroordeeld tot vergoeding van de in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten;
III. bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;
IV. wijst het verzoek af;
V. veroordeelt de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid tot vergoeding van de in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.536,00 (zegge: vijftienhonderdzesendertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. A.W.M. Bijloos, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. R.C.S. Bakker, griffier.