ECLI:NL:RVS:2019:2342
Raad van State
- Hoger beroep
- P.B.M.J. van der Beek-Gillessen
- E. Steendijk
- G.M.H. Hoogvliet
- Rechtspraak.nl
Vaststelling vergoeding rechtsbijstand bij tweede asielaanvraag in bestuursrechtelijke procedure
In deze bestuursrechtelijke procedure gaat het om de vergoeding van rechtsbijstand toegekend door de raad voor rechtsbijstand aan een wederpartij voor het verlenen van rechtsbijstand bij een asielaanvraag en de daarop volgende beroepsprocedure. De raad had de vergoeding vastgesteld op basis van artikel 5a, vijfde en zesde lid, van het Besluit vergoedingen rechtsbijstand 2000 (Bvr 2000), stellende dat het ging om een tweede asielaanvraag.
De rechtbank Oost-Brabant oordeelde echter dat de vergoeding niet op deze wijze mocht worden vastgesteld omdat de tweede aanvraag niet als een tweede of volgende aanvraag in de zin van het Bvr 2000 moest worden beschouwd, omdat de eerste aanvraag niet was afgewezen maar buiten behandeling was gesteld. De rechtbank verklaarde het beroep gegrond en vernietigde de besluiten van de raad.
De raad stelde hoger beroep in en betoogde dat de vergoeding terecht was vastgesteld als tweede aanvraag, mede gelet op de toelichting bij het Bvr 2000 en de gewijzigde regelgeving omtrent het niet in behandeling nemen van aanvragen sinds 2015. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat de raad dit standpunt terecht inneemt en dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld. De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank en verklaart de beroepen ongegrond.
Daarnaast vernietigt de Afdeling het besluit van 8 augustus 2018 en de daarmee samenhangende besluiten van 7 augustus 2018, omdat deze besluiten hun grondslag hebben verloren. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank vernietigd en de beroepen van de wederpartij ongegrond verklaard.