ECLI:NL:RVS:2019:2372

Raad van State

Datum uitspraak
10 juli 2019
Publicatiedatum
10 juli 2019
Zaaknummer
201807668/1/V1
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • J.Th. Drop
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:55d AwbArt. 4:17 AwbArt. 6:12 AwbArt. 91 Vreemdelingenwet 2000
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging uitspraak rechtbank over niet-tijdig besluit 24-uursopvang vreemdeling

Het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam had de vreemdeling bij brief van 10 november 2016 meegedeeld dat zij niet in aanmerking kwam voor de 24-uursopvang in de Bed-, Bad- en Broodvoorziening. De vreemdeling maakte bezwaar tegen dit besluit, dat het college bij besluit van 10 februari 2017 ongegrond verklaarde. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling gegrond, vernietigde het besluit en bepaalde dat het college binnen zes weken opnieuw een besluit moest nemen.

Het college stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak, maar het hoger beroep werd door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State als kennelijk ongegrond verworpen. De Afdeling bevestigde de uitspraak van de rechtbank en oordeelde dat het college niet tijdig een nieuw besluit op het bezwaar had genomen, wat gelijkstaat aan het niet tijdig nemen van een besluit en vernietigd moet worden.

De Afdeling bepaalde dat het college binnen twee weken een nieuw besluit moet nemen en legde een dwangsom van € 100 per dag op met een maximum van € 15.000. Tevens stelde de Afdeling de reeds verbeurde dwangsom vast op € 1.442. Tot slot veroordeelde de Afdeling het college tot vergoeding van de proceskosten van de vreemdeling ad € 768, toe te rekenen aan rechtsbijstand door een derde.

Uitkomst: Het hoger beroep van het college wordt afgewezen en het college wordt verplicht binnen twee weken een besluit te nemen en een dwangsom te betalen.

Uitspraak

201807668/1/V1.
Datum uitspraak: 10 juli 2019
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:
het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 23 augustus 2018 in zaak nr. 17/3442 in het geding tussen:
[de vreemdeling]
en
het college.
Procesverloop
Bij brief van 10 november 2016 heeft het college de vreemdeling meegedeeld dat zij niet in aanmerking komt voor de 24-uursopvang in de Bed-, Bad- en Broodvoorziening.
Bij besluit van 10 februari 2017 heeft het college het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 23 augustus 2018, voor zover thans van belang, heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat het college binnen zes weken opnieuw een besluit op het gemaakte bezwaar neemt met inachtneming van wat in de uitspraak is overwogen.
Tegen deze uitspraak heeft het college hoger beroep ingesteld.
De vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. W.G. Fischer, advocaat te Haarlem, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
De vreemdeling heeft een nadere stuk ingediend.
Het college heeft daarop schriftelijk gereageerd.
De vreemdeling heeft nadere stukken ingediend.
Bij brief van 15 april 2019 heeft de vreemdeling beroep tegen het niet tijdig beslissen op het door hem gemaakte bezwaar ingesteld.
De vreemdeling heeft een nader stuk ingediend.
Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Vervolgens is het onderzoek gesloten.
Overwegingen
Het hoger beroep
1.    Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000).
2.    Het hoger beroep is kennelijk ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd.
Het beroep niet tijdig beslissen
3.    De vreemdeling betoogt dat het college niet tijdig een nieuw besluit op het door haar gemaakte bezwaar heeft genomen. Zij verzoekt de Afdeling het college op te dragen om op straffe van een dwangsom alsnog een besluit op bezwaar te nemen. Verder verzoekt zij om vaststelling van de door het college ingevolge artikel 4:17 van Pro de Awb verbeurde dwangsom.
3.1.    Vaststaat dat het college niet heeft voldaan aan de opdracht van de rechtbank om binnen zes weken na 23 augustus 2018 opnieuw een besluit op het door de vreemdeling gemaakte bezwaar te nemen. Het beroep is kennelijk gegrond. Het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit moet worden vernietigd.
3.2.    Het college moet op grond van artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb alsnog een besluit op het door de vreemdeling gemaakte bezwaar nemen en bekend maken. De Afdeling zal daarvoor een termijn stellen. Gelet op artikel 6:12, derde lid, van de Awb is voorafgaand aan een nieuw beroep niet tijdig beslissen een ingebrekestelling niet nodig. De Afdeling bepaalt verder met toepassing van artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb dat het college aan de vreemdeling een dwangsom van € 100,00 verbeurt voor iedere dag dat het in gebreke blijft deze uitspraak en die van de rechtbank na te leven, met een maximum van € 15.000,00.
3.3.    Na de eerste dag waarop ingevolge artikel 4:17, derde lid, van de Awb de dwangsom verschuldigd is, zijn meer dan 42 dagen verstreken. Gelet daarop, ziet de Afdeling aanleiding om overeenkomstig artikel 8:55c, gelezen in samenhang met artikel 4:17, tweede lid, van de Awb de door het college verbeurde dwangsom vast te stellen op € 1.442,00.
4.    Het college moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.    bevestigt de aangevallen uitspraak;
II.    verklaart het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit op het door de vreemdeling gemaakte bezwaar gegrond;
III.    vernietigt het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit op het door de vreemdeling gemaakte bezwaar tegen de brief van het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam van 10 november 2016;
IV.    bepaalt dat het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam binnen twee weken na verzending van deze uitspraak een besluit op het door de vreemdeling gemaakte bezwaar neemt en bekend maakt;
V.    bepaalt dat het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam aan de vreemdeling een dwangsom van € 100,00 (zegge: honderd euro) verbeurt voor elke dag dat het deze termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,00 (zegge: vijftienduizend euro);
VI.    stelt de door het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam aan de vreemdeling verbeurde dwangsom als bedoeld in artikel 4:17 van Pro de Algemene wet bestuursrecht vast op € 1.442,00 (zegge: veertienhonderdtweeënveertig euro);
VII.    veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van gemeente Amsterdam tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het hoger beroep en het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 768,00 (zegge: zevenhonderdachtenzestig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. J.Th. Drop, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. H.W. Groeneweg, griffier.
w.g. Drop    w.g. Groeneweg
lid van de enkelvoudige kamer    griffier
Uitgesproken in het openbaar op 10 juli 2019
32.