ECLI:NL:RVS:2019:24
Raad van State
- Hoger beroep
- N. Verheij
- A.B.M. Hent
- A.J.C. de Moor-van Vugt
- Rechtspraak.nl
Beoordeling hoger beroep tegen vrijheidsontnemende maatregel en weigering toegang vreemdeling
De zaak betreft twee hoger beroepen tegen uitspraken van de rechtbank Den Haag over vrijheidsontnemende maatregelen en weigering van toegang tot Nederland van een vreemdeling. De vreemdeling betwistte de grondslag van de weigering van toegang en de oplegging van de maatregel, terwijl de staatssecretaris hoger beroep instelde tegen een uitspraak die de opheffing van een maatregel en schadevergoeding aan de vreemdeling beval.
De Afdeling bestuursrechtspraak verklaarde zich onbevoegd kennis te nemen van het hoger beroep tegen het besluit op grond van artikel 6, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000, bevestigde de overige uitspraken van de rechtbank en oordeelde dat de staatssecretaris een nieuw besluit tot weigering van toegang had moeten nemen na intrekking van de asielaanvraag. Het eerdere besluit tot weigering van toegang herleefde niet van rechtswege.
De staatssecretaris werd veroordeeld tot betaling van proceskosten aan de vreemdeling. De Afdeling benadrukte de wettelijke regeling omtrent de grensprocedure en de gevolgen van intrekking van een asielaanvraag voor de rechtspositie van de vreemdeling en het bestuursorgaan.
De uitspraak draagt bij aan de rechtsontwikkeling omtrent de toepassing van de Vreemdelingenwet 2000 en de grensprocedure, waarbij het belang van zorgvuldige besluitvorming en rechtsbescherming voor vreemdelingen wordt onderstreept.
Uitkomst: De Afdeling bestuursrechtspraak bevestigt de uitspraken van de rechtbank en veroordeelt de staatssecretaris tot vergoeding van proceskosten.