ECLI:NL:RVS:2019:2410
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging uitspraak rechtbank inzake afwijzing machtiging voorlopig verblijf vreemdelingen
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid heeft op 28 oktober 2016 de aanvragen van de vreemdelingen om een machtiging tot voorlopig verblijf afgewezen. Na bezwaar werd dit besluit op 7 augustus 2017 gehandhaafd. De vreemdelingen stelden beroep in bij de rechtbank Den Haag, die op 21 november 2018 het besluit vernietigde en de staatssecretaris opdroeg een nieuw besluit te nemen met inachtneming van de overwegingen.
De staatssecretaris stelde hiertegen hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Het hogerberoepschrift bevatte geen nieuwe rechtsvragen die van belang zijn voor rechtseenheid, rechtsontwikkeling of rechtsbescherming. Daarom werd het hoger beroep als kennelijk ongegrond verworpen.
De Afdeling bevestigde de uitspraak van de rechtbank en veroordeelde de staatssecretaris tot vergoeding van de proceskosten van de vreemdelingen, vastgesteld op €512,00, en legde een griffierecht van €508,00 op. De uitspraak werd gedaan door een enkelvoudige kamer onder leiding van C.M. Wissels.
Uitkomst: De Afdeling bestuursrechtspraak bevestigt het vernietigende vonnis van de rechtbank en verklaart het hoger beroep van de staatssecretaris kennelijk ongegrond.