Uitspraak
Datum uitspraak: 17 juli 2019
BESTUURSRECHTSPRAAK
voorzitter griffier
Raad van State
Appellante huurt een woning op een recreatiepark en ontving tot 2018 huurtoeslag. De Belastingdienst/Toeslagen stopzette deze toeslag per 1 februari 2018 op grond van een wetswijziging die huurtoeslag voor woningen op vakantiebestedingsbedrijven uitsluit.
De rechtbank oordeelde dat dit onderscheid gerechtvaardigd is vanwege uitvoeringslasten, risico op misbruik en het niet-bestemd zijn van deze woningen voor permanente bewoning. Appellante stelde dat dit onderscheid het gelijkheidsbeginsel schendt en discriminatoir is.
De Raad van State bevestigt het oordeel van de rechtbank. De uitsluiting is een legitiem middel met een legitiem doel, en het onderscheid is proportioneel. De enkele omstandigheid dat appellante permanent in de woning verbleef, maakt dit niet anders.
De Afdeling wijst het beroep af en bevestigt de stopzetting van de huurtoeslag. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De stopzetting van de huurtoeslag voor de woning op het recreatiepark wordt bevestigd en het hoger beroep ongegrond verklaard.