ECLI:NL:RVS:2019:2446
Raad van State
- Hoger beroep
- G.M.H. Hoogvliet
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering intrekking vergunning spoorwegemplacement te Utrecht
Het college van burgemeester en wethouders van Utrecht heeft bij besluit van 25 mei 2016 geweigerd om de aan Prorail verleende vergunningen voor een spoorwegemplacement in Utrecht in te trekken. De vergunningen betroffen het oprichten, in werking hebben en het uitbreiden van de bedrijfstijden van het emplacement. De eigenaar van een nabijgelegen garage en woning verzocht om intrekking van deze vergunningen vanwege het niet-gebruik en de hinder die het zou veroorzaken.
De rechtbank Midden-Nederland heeft het beroep van de eigenaar ongegrond verklaard en geoordeeld dat het college in redelijkheid tot haar besluit heeft kunnen komen. De rechtbank stelde dat het college bevoegd was de vergunningen niet in te trekken, mede omdat Prorail verwacht dat het gebruik van het emplacement zal toenemen en het belang bij het behoud van de vergunningen aanwezig is.
De Raad van State heeft het hoger beroep behandeld en bevestigd dat het college beleidsruimte heeft bij de intrekking van omgevingsvergunningen en dat het college in redelijkheid heeft kunnen besluiten de vergunningen in stand te laten. De hinder voor de eigenaar is niet zodanig dat dit een intrekking rechtvaardigt. De vergunningen blijven derhalve van kracht.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt het besluit van het college om de vergunningen voor het spoorwegemplacement niet in te trekken.