ECLI:NL:RVS:2019:2458
Raad van State
- Hoger beroep
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing urgentieverklaring wegens onvoldoende bijzondere omstandigheden
Appellant, wonend in Amsterdam-West en met artrose en overgewicht, vroeg een urgentieverklaring voor een benedenwoning of liftwoning vanwege mobiliteitsproblemen. Het college wees de aanvraag af op grond van artikel 2.6.5 van de Huisvestingsverordening Amsterdam 2016, omdat appellant haar huisvestingsprobleem redelijkerwijs zelf kan oplossen gezien haar lange inschrijfduur en onvoldoende inspanningen buiten haar voorkeursgebied.
Appellant stelde dat het college had moeten afwijken van de beleidsregels op grond van artikel 4:84 Awb Pro vanwege bijzondere omstandigheden en dat toepassing van de hardheidsclausule (artikel 2.6.11 Huisvestingsverordening) op haar situatie van toepassing was. De Afdeling overwoog dat de beleidsregels duidelijk stellen dat een huishouden met een inschrijfduur van meer dan 9,5 jaar in beginsel zonder urgentie een passende woning kan vinden en dat appellant onvoldoende heeft aangetoond alles redelijkerwijs te hebben gedaan om het probleem op te lossen.
De Afdeling oordeelde dat het college terecht vasthield aan de algemene weigeringsgrond en dat de situatie van appellant, hoewel niet ideaal, niet voldeed aan de strenge criteria voor toepassing van de hardheidsclausule. De Afdeling verklaarde het hoger beroep ongegrond en bevestigde de uitspraak van de rechtbank Amsterdam.
Uitkomst: Het hoger beroep is ongegrond verklaard en de afwijzing van de urgentieverklaring bevestigd.