ECLI:NL:RVS:2019:2490
Raad van State
- Hoger beroep
- E. Steendijk
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing machtiging voorlopig verblijf in hoger beroep vreemdelingenrecht
Bij besluit van 14 februari 2017 wees de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid de aanvraag van de vreemdeling om een machtiging tot voorlopig verblijf af. De vreemdeling maakte bezwaar, dat op 21 december 2017 ongegrond werd verklaard. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling tegen deze besluiten gegrond, vernietigde het besluit en bepaalde dat de staatssecretaris een nieuw besluit moest nemen met inachtneming van de overwegingen.
De staatssecretaris stelde hiertegen hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De vreemdeling gaf een schriftelijke uiteenzetting. De Afdeling oordeelde dat het hoger beroep geen vragen bevat die in het belang van rechtseenheid, rechtsontwikkeling of rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden, zodat het hoger beroep kennelijk ongegrond is.
De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd. De staatssecretaris wordt veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van de vreemdeling en moet griffierecht betalen. Hiermee blijft het besluit van de rechtbank in stand en wordt het beroep van de staatssecretaris verworpen.
Uitkomst: Het hoger beroep van de staatssecretaris wordt kennelijk ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.