ECLI:NL:RVS:2019:2500
Raad van State
- Hoger beroep
- J.Th. Drop
- Rechtspraak.nl
Vaststelling proceskostenvergoeding na niet in behandeling nemen verblijfsvergunning asiel
De minister van Justitie en Veiligheid nam een aanvraag van een vreemdeling om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling. De vreemdeling stelde beroep in bij de rechtbank, die dit ongegrond verklaarde en het besluit in stand liet. De vreemdeling ging in hoger beroep bij de Raad van State.
De Raad van State oordeelde dat de rechtbank terecht het beroep ongegrond verklaarde, omdat het geconstateerde gebrek (het niet reageren op een verzoek om uitstel voor het indienen van een zienswijze) met toepassing van artikel 6:22 Awb Pro kon worden gepasseerd. Echter, de rechtbank had ten onrechte de staatssecretaris niet veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten die de vreemdeling had gemaakt in verband met de behandeling van het beroep.
De Raad van State verklaarde het hoger beroep gegrond, vernietigde het deel van de uitspraak waarin de rechtbank naliet de proceskosten te vergoeden, bevestigde het overige en veroordeelde de staatssecretaris tot vergoeding van €1.536 aan proceskosten, toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Uitkomst: De Raad van State veroordeelt de staatssecretaris tot vergoeding van €1.536 aan proceskosten en bevestigt het overige van de uitspraak van de rechtbank.