ECLI:NL:RVS:2019:2576
Raad van State
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- Rechtspraak.nl
Bevestiging sluiting woning wegens handel in harddrugs ondanks gebrek aan overlast
De burgemeester legde op grond van artikel 13b van de Opiumwet een last onder bestuursdwang op tot sluiting van een woning in Rotterdam voor zes maanden vanwege de aanwezigheid van harddrugs die vermoedelijk bestemd waren voor handel. Na een huiszoeking werden aanzienlijke hoeveelheden cocaïne, XTC en hennep aangetroffen, evenals Manitol, een middel om cocaïne te versnijden.
De rechtbank oordeelde dat de hoeveelheid drugs de gebruikershoeveelheid ruimschoots overschrijdt en dat de burgemeester terecht heeft geoordeeld dat de drugs mede voor verkoop bestemd waren. Het ontbreken van overlast en het feit dat de woning niet bekend stond als drugspand deed hieraan niet af.
De appellant voerde in hoger beroep aan dat de drugs bestemd waren voor eigen gebruik en dat de burgemeester had kunnen volstaan met een waarschuwing. Ook stelde hij dat het belang van zijn minderjarige dochter bij voortgezet verblijf in de woning zwaarwegend was. De Afdeling bestuursrechtspraak verwierp deze argumenten en bevestigde het oordeel van de rechtbank dat de sluiting gerechtvaardigd was gezien de hoeveelheid drugs en de onveilige ligging van de woning in de wijk Feijenoord.
Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening werd afgewezen. De sluiting van de woning blijft daarmee gehandhaafd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de sluiting van de woning voor zes maanden bevestigd.