ECLI:NL:RVS:2019:2594

Raad van State

Datum uitspraak
26 juli 2019
Publicatiedatum
26 juli 2019
Zaaknummer
201901243/1/V1
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • H. Troostwijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 4:17 AwbArtikel 91 Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging uitspraak rechtbank wegens nalaten dwangsom en proceskostenvergoeding in vreemdelingenzaak

De vreemdeling verzocht de staatssecretaris om een maatwerkvoorziening in de vorm van beschermd wonen, welke op 22 januari 2018 werd afgewezen. De staatssecretaris bood opnieuw onderdak aan in een vrijheidsbeperkende locatie te Ter Apel. Na bezwaar werd dit besluit door de staatssecretaris gehandhaafd. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling gegrond, vernietigde het besluit en verklaarde het bezwaar alsnog gegrond.

De vreemdeling ging in hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank. De Raad van State oordeelde dat de rechtbank ten onrechte niet had bepaald dat de staatssecretaris een dwangsom van € 100,00 had verbeurd en de proceskosten van de vreemdeling niet had toegewezen. De staatssecretaris erkende deze punten.

De Raad van State vernietigde daarom het deel van de uitspraak van de rechtbank dat deze nalatigheden bevatte, stelde de dwangsom vast op € 100,00 en veroordeelde de staatssecretaris tot vergoeding van de proceskosten van € 1.024,00. Voor het overige werd de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Uitkomst: De Raad van State vernietigt het deel van de uitspraak dat naliet een dwangsom en proceskostenvergoeding toe te wijzen en legt deze alsnog op aan de staatssecretaris.

Uitspraak

201901243/1/V1.
Datum uitspraak: 26 juli 2019
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:
[de vreemdeling],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 16 januari 2019 in zaak nr. 18/4021 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
Procesverloop
Bij brief van 22 januari 2018 heeft de staatssecretaris een verzoek van de vreemdeling om hem een maatwerkvoorziening in de vorm van beschermd wonen te verstrekken, afgewezen en hem opnieuw onderdak in de vrijheidsbeperkende locatie te Ter Apel aangeboden.
Bij besluit van 11 mei 2018 heeft de staatssecretaris het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 16 januari 2019 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd, het door de vreemdeling gemaakte bezwaar alsnog gegrond verklaard en bepaald dat deze uitspraak in de plaats treedt van het door haar vernietigde besluit.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. W.G. Fischer, advocaat te Haarlem, hoger beroep ingesteld.
De staatssecretaris heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
De vreemdeling heeft een nader stuk ingediend.
Vervolgens is het onderzoek gesloten.
Overwegingen
1.    Wat de vreemdeling in de eerste grief heeft aangevoerd, leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000).
2.    De tweede grief houdt in dat de rechtbank ten onrechte niet heeft bepaald dat de staatssecretaris een dwangsom van € 100,00 heeft verbeurd. De derde grief houdt in dat de rechtbank de staatssecretaris ten onrechte niet heeft veroordeeld tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het bezwaar opgekomen proceskosten.
2.1.    De staatssecretaris heeft in zijn schriftelijke uiteenzetting van 11 maart 2019 de juistheid van deze grieven erkend.
De grieven slagen.
3.    Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd, voor zover zij heeft nagelaten te bepalen dat de staatssecretaris een dwangsom van € 100,00 heeft verbeurd en heeft nagelaten de staatssecretaris te veroordelen tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het bezwaar opgekomen proceskosten. Doende wat de rechtbank zou moeten doen, zal de Afdeling, gelet op wat onder 2.1 is overwogen, onder bevestiging van de uitspraak van de rechtbank voor het overige, de door de staatssecretaris aan de vreemdeling verbeurde dwangsom als bedoeld in artikel 4:17 van Pro de Awb vaststellen op € 100,00. De staatssecretaris moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.    verklaart het hoger beroep gegrond;
II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 16 januari 2019 in zaak nr. 18/4021, voor zover zij heeft nagelaten te bepalen dat de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een dwangsom van € 100,00 heeft verbeurd en heeft nagelaten de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid te veroordelen tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het bezwaar opgekomen proceskosten;
III.    bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;
IV.    stelt de door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid aan de vreemdeling verbeurde dwangsom als bedoeld in artikel 4:17 van Pro de Algemene wet bestuursrecht vast op € 100,00 (zegge: honderd euro);
V.    veroordeelt de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het bezwaar en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.024,00 (zegge: duizendvierentwintig euro).
Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.V.T.K. Oei, griffier.
w.g. Troostwijk    w.g. Oei
lid van de enkelvoudige kamer    griffier
Uitgesproken in het openbaar op 26 juli 2019
32.