ECLI:NL:RVS:2019:2661
Raad van State
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- Rechtspraak.nl
Vernietiging niet-ontvankelijkverklaring beroep en terugwijzing zaak naar rechtbank
Appellante exploiteert sinds januari 2017 een cateringbedrijf op een perceel te Aadorp. Het college van burgemeester en wethouders van Almelo legde haar bij besluit van 6 juli 2018 een last onder dwangsom op om de bedrijfsactiviteiten te staken wegens strijd met het bestemmingsplan. Appellante maakte bezwaar tegen dit besluit, dat bij besluit van 25 juni 2019 werd afgewezen.
De rechtbank Overijssel verklaarde het beroep van appellante tegen het besluit van 25 juni 2019 niet-ontvankelijk zonder haar te horen, met toepassing van artikel 8:86 van Pro de Awb. Appellante stelde hiertegen hoger beroep in bij de Raad van State. De voorzieningenrechter oordeelde dat de rechtbank onjuist had gehandeld door zonder zitting uitspraak te doen en het beroep niet-ontvankelijk te verklaren.
De Raad van State vernietigt daarom de uitspraken van 16 en 17 juli 2019 voor zover het beroep niet-ontvankelijk werd verklaard en wijst de zaak terug naar de rechtbank voor inhoudelijke behandeling van het beroep. Verzoeken om voorlopige voorziening worden afgewezen. Het college wordt veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van appellante en het griffierecht wordt aan haar terugbetaald.
Uitkomst: De Raad van State vernietigt de niet-ontvankelijkverklaring van het beroep en wijst de zaak terug naar de rechtbank voor inhoudelijke behandeling.