ECLI:NL:RVS:2019:2667
Raad van State
- Hoger beroep
- G.M.H. Hoogvliet
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit afwijzing verblijfsvergunning asiel na hoger beroep
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees op 17 mei 2018 de aanvraag van de vreemdeling om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd af. De vreemdeling stelde beroep in bij de rechtbank Den Haag, die op 3 december 2018 het besluit vernietigde en de staatssecretaris opdroeg een nieuw besluit te nemen.
De staatssecretaris ging in hoger beroep bij de Raad van State, terwijl de vreemdeling incidenteel hoger beroep instelde. Bij een nieuw besluit van 15 mei 2019 werd de aanvraag wederom afgewezen, waarna de vreemdeling opnieuw beroep instelde. De Raad van State oordeelde dat het hoger beroep van de staatssecretaris kennelijk ongegrond was en bevestigde daarmee het vonnis van de rechtbank.
Het besluit van 15 mei 2019 werd als onzorgvuldig voorbereid en ondeugdelijk gemotiveerd beoordeeld en daarom vernietigd. De staatssecretaris werd veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van de vreemdeling, die geheel toe te rekenen zijn aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Uitkomst: Het besluit van 15 mei 2019 tot afwijzing van de verblijfsvergunning asiel wordt vernietigd en de staatssecretaris wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.