ECLI:NL:RVS:2019:2731
Raad van State
- Hoger beroep
- J.J. van Eck
- E. Steendijk
- G.M.H. Hoogvliet
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking verblijfsvergunning en inreisverbod vreemdeling
De staatssecretaris heeft bij besluit van 28 juli 2016 de verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd van de vreemdeling ingetrokken en een inreisverbod tegen hem uitgevaardigd. De vreemdeling maakte bezwaar tegen dit besluit, dat op 3 april 2018 ongegrond werd verklaard, waarna hij beroep instelde bij de rechtbank Den Haag. De rechtbank verklaarde het beroep op 19 december 2018 ongegrond.
De vreemdeling stelde vervolgens hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Het hogerberoepschrift bevatte geen nieuwe vragen die relevant zijn voor rechtseenheid, rechtsontwikkeling of algemene rechtsbescherming, waardoor het hoger beroep niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank leidt.
De Afdeling bestuursrechtspraak verklaarde het hoger beroep kennelijk ongegrond en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd op 12 augustus 2019 in het openbaar uitgesproken door de voorzitter en leden van de Afdeling bestuursrechtspraak.
Uitkomst: De intrekking van de verblijfsvergunning en het inreisverbod worden bevestigd; het hoger beroep is kennelijk ongegrond.