ECLI:NL:RVS:2019:2760
Raad van State
- Hoger beroep
- R.J.J.M. Pans
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen herziening voorschot huurtoeslag wegens overschrijding huurgrens
De Belastingdienst/Toeslagen heeft het voorschot huurtoeslag van appellant over 2017 herzien naar nihil omdat de rekenhuur van zijn woning hoger was dan de maximale huurgrens van €710,68. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, stellende dat appellant geen beroep kon doen op een verworven recht omdat hij in 2016 geen recht had op huurtoeslag.
Appellant stelde in hoger beroep dat hij wel een verworven recht heeft op basis van een besluit uit 2013, dat hem een huurtoeslagrecht voor onbepaalde tijd verleende zolang hij in dezelfde woning bleef wonen. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat de rechtbank ten onrechte had geoordeeld dat appellant geen beroep kon doen op artikel 13, tweede lid, aanhef en onder c, van de Wet op de huurtoeslag (Wht).
De Afdeling bevestigde dat het begrip 'overschrijding' in artikel 13 Wht Pro ziet op het eerste moment van overschrijding en dat het recht op huurtoeslag niet jaarlijks opnieuw beoordeeld moet worden. Daarom is het besluit van de Belastingdienst om het voorschot huurtoeslag op nihil te stellen onterecht. De Afdeling vernietigde het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank, herroept de besluiten van 21 juli en 21 augustus 2017 en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit. Tevens wordt appellant het betaalde griffierecht vergoed.
Uitkomst: De herziening van het voorschot huurtoeslag over 2017 naar nihil is onterecht; het hoger beroep wordt gegrond verklaard en de besluiten worden herroepen.