Uitspraak
Datum uitspraak: 21 augustus 2019
BESTUURSRECHTSPRAAK
voorzitter griffier
Raad van State
De minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid legde aan appellant een bestuurlijke boete van €1.800 op wegens het niet treffen van valbeveiliging bij dakdekkerswerkzaamheden op een woning. De rechtbank matigde deze boete tot €600, met als motieven onder meer de beperkte omvang van de werkzaamheden, het ontbreken van eerdere overtredingen en het feit dat appellant een zelfstandige zonder personeel is.
Appellant stelde dat er geen valgevaar bestond omdat het platte dak lager lag en voorzien was van een opstaande rand en stroef materiaal, waardoor een val verder naar beneden niet mogelijk zou zijn. De staatssecretaris betwistte dit en voerde aan dat de aanwezigheid van een metalen bok met een handcirkelzaag op het platte dak een risicoverhogende omstandigheid vormt.
De Raad van State oordeelde dat de rechtbank terecht had vastgesteld dat sprake was van valgevaar, mede gezien de valhoogte van 5,5 meter vanaf het platte dak en de risicoverhogende omstandigheden. De Afdeling verwierp de motieven van de rechtbank om de boete te matigen, zoals de beperkte omvang van de werkzaamheden en het feit dat appellant de kosten van de steiger niet kon delen. De Afdeling stelde dat de boete van €1.800 passend en geboden is en verklaarde het incidenteel hoger beroep van appellant ongegrond.
Uitkomst: De Raad van State vernietigt de matiging van de boete en handhaaft de boete van €1.800 wegens valgevaar bij dakdekkerswerkzaamheden.