ECLI:NL:RVS:2019:281
Raad van State
- Hoger beroep
- A.B.M. Hent
- Rechtspraak.nl
Bevestiging uitspraak rechtbank inzake niet in behandeling nemen asielaanvraag
De staatssecretaris heeft op 24 mei 2018 besloten een aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling te nemen. De vreemdeling stelde hiertegen beroep in bij de rechtbank, die dit beroep ongegrond verklaarde op 25 juni 2018. De vreemdeling ging in hoger beroep bij de Raad van State.
De Raad van State overwoog dat de rechtbank ten onrechte had aangenomen dat de toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Awb correct was, terwijl dit niet het geval was. Dit betekende een procedureel gebrek in het besluit van 24 mei 2018. Echter, de Raad vond niet aannemelijk dat de vreemdeling hierdoor is benadeeld, mede omdat de staatssecretaris ook inhoudelijk op de aanvraag was ingegaan.
De tweede grief van de vreemdeling werd niet inhoudelijk behandeld omdat deze geen relevante rechtsvragen opriep. De Raad verklaarde het hoger beroep kennelijk ongegrond en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. Tevens werd de staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van proceskosten aan de vreemdeling.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt de uitspraak van de rechtbank en verklaart het hoger beroep kennelijk ongegrond.