Uitspraak
Datum uitspraak: 21 augustus 2019
BESTUURSRECHTSPRAAK
lid van de enkelvoudige kamer griffier
Raad van State
Appellant werd door het college van burgemeester en wethouders van Tytsjerksteradiel gelast om de overtreding van artikel 5:6, eerste lid, van de Algemene plaatselijke verordening (Apv) te beëindigen, omdat hij zijn aanhangwagen langer dan vijf dagen op de openbare weg had laten staan. Het college legde een dwangsom op voor iedere dag dat de overtreding voortduurde.
Appellant voerde aan dat het college ten onrechte geen motivering had gegeven waarom het langer dan vijf dagen laten staan van de aanhangwagen buitensporig zou zijn, dat het college geen plaatsen had aangewezen waar de aanhangwagen wel mocht staan, en dat de hoogte van de dwangsom disproportioneel was gezien zijn financiële situatie. Ook stelde appellant dat de Kloosterkamp niet voldeed aan de eisen waardoor hij zijn aanhangwagen niet op eigen terrein kon stallen.
De Raad van State oordeelde dat de zinsnede in artikel 5:6 Apv Pro betrekking heeft op de aanwijzing van wegen door het college en niet op individuele gevallen. Het college is niet verplicht plaatsen aan te wijzen waar een aanhangwagen langer dan vijf dagen mag staan. Er was geen zicht op legalisatie door ontheffing, en het hoogteverschil tussen perceel en weg vormt geen rechtvaardiging voor overtreding. De hoogte van de dwangsom stond in redelijke verhouding tot het geschonden belang en de beoogde werking. Appellant had zijn financiële situatie onvoldoende onderbouwd om disproportionaliteit aan te tonen.
De uitspraak van de rechtbank werd bevestigd en het hoger beroep ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het hoger beroep is ongegrond verklaard en de last onder dwangsom bevestigd.