ECLI:NL:RVS:2019:2822
Raad van State
- Eerste aanleg - meervoudig
- C.H.M. van Altena
- F.C.M.A. Michiels
- B.J. Schueler
- Rechtspraak.nl
Ongegrond beroep tegen verlenging ontgrondingsvergunningen nabij Natura 2000-gebied Brunssummerheide
Het college van gedeputeerde staten van Limburg verleende op 7 december 2017 drie ontgrondingsvergunningen voor zandwinning op locaties Heerenweg-West, Heerenweg-Oost en Vrieheide nabij Heerlen. Stichting Behoud Brunssummerheide en Bewonerscollectief BuurSibelco tekenden beroep aan tegen deze besluiten, stellende dat onder meer een milieueffectrapportage (MER) vereist was, de overlast onvoldoende is meegewogen, en de vergunningen negatieve effecten hebben op het Natura 2000-gebied Brunssummerheide.
De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat het beroep ontvankelijk is en dat de vergunningen terecht zijn verleend zonder MER-plicht, omdat de nieuwe vergunningen geen uitbreiding of wijziging van oppervlakte of diepte van de winning inhouden ten opzichte van eerdere vergunningen. De belangenafweging door het college is zorgvuldig en houdt rekening met milieuaspecten, stikstofdepositie en grondwaterstromen. De vermeende negatieve effecten op Natura 2000 zijn onvoldoende aannemelijk gemaakt.
Verder is geoordeeld dat de maatschappelijke meerwaarde van de vergunningen, waaronder herinrichting en het belang van zilverzandwinning, redelijk is meegewogen. De verlenging van de ontgrondingen tot 2025 en 2030 is gerechtvaardigd. Bezwaren over veiligheidsmaatregelen en het ontbreken van een afdrachtregeling faalden eveneens. De Afdeling verklaarde het beroep ongegrond en bepaalde dat het teveel betaalde griffierecht wordt terugbetaald.
Uitkomst: Het beroep tegen de verlenging van de ontgrondingsvergunningen wordt ongegrond verklaard.