ECLI:NL:RVS:2019:2827

Raad van State

Datum uitspraak
21 augustus 2019
Publicatiedatum
21 augustus 2019
Zaaknummer
201808718/1/A1
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:1 AwbArt. 1:2 Awb
Verwijzingen
5 uitgaand · 3 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging niet-ontvankelijkheid bezwaar tegen omgevingsvergunning uitbreiding vakantiewoning

Het college van burgemeester en wethouders van Maasgouw verleende op 19 september 2017 een omgevingsvergunning voor de uitbreiding van een vakantiewoning in vakantiepark Porta Isola te Stevensweert. Appellant, eigenaar van een andere vakantiewoning in hetzelfde park, maakte bezwaar tegen deze vergunning, maar het college verklaarde dit bezwaar niet-ontvankelijk wegens gebrek aan belanghebbendheid.

De rechtbank Limburg verklaarde het beroep van appellant tegen deze beslissing ongegrond. Appellant stelde dat hij wel belanghebbende is omdat de uitbreiding de uitstraling van het vakantiepark als geheel raakt en hij belang heeft bij naleving van de wetgeving. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State overwoog dat belanghebbendheid vereist is dat iemand rechtstreeks feitelijke gevolgen ondervindt van het besluit.

Gelet op de afstand van ruim 200 meter tussen de vakantiewoningen, het ontbreken van zicht op de vergunde aanbouw en de geringe ruimtelijke uitstraling, concludeerde de Afdeling dat appellant geen gevolgen van enige betekenis ondervindt. Het feit dat het een afgesloten park betreft, verandert hier niets aan. De eerdere aanduiding van appellant als belanghebbende door het college tijdens de bezwaarprocedure was een vergissing die niet tot een ander oordeel leidt.

De Afdeling verklaarde het hoger beroep ongegrond en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Uitspraak

201808718/1/A1.
Datum uitspraak: 21 augustus 2019
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend te Stevensweert, gemeente Maasgouw,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 14 september 2018 in zaak nr. 18/732 in het geding tussen:
[appellant]
en
het college van burgemeester en wethouders van Maasgouw.
Procesverloop
Bij besluit van 19 september 2017 heeft het college aan [vergunninghouder] omgevingsvergunning verleend voor het uitbreiden van een vakantiewoning op het adres [locatie 1] te Stevensweert.
Bij besluit van 8 maart 2018 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.
Bij uitspraak van 14 september 2018 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 26 juli 2019, waar het college, vertegenwoordigd door mr. L.M.C. Cloodt, is verschenen.
Overwegingen
1.    De vakantiewoning waar de omgevingsvergunning op ziet is gelegen in het vakantiepark "Porta Isola". Het bouwplan betreft een aanbouw aan deze vakantiewoning. [appellant] is eigenaar van een andere vakantiewoning, op het adres [locatie 2], in dit vakantiepark.
2.    Het college heeft het door [appellant] tegen de omgevingsvergunning van 19 september 2017 gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard, omdat [appellant] volgens het college geen belanghebbende bij dit besluit is.
3.    [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college zijn bezwaar tegen het besluit van 19 september 2017 terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard, omdat hij geen belanghebbende is bij dit besluit. Daartoe voert hij aan dat het een vakantiewoning op een afgesloten vakantiepark betreft en de uitstraling van het park als geheel in het geding komt door de vergunde uitbreiding. Bovendien heeft hij belang bij het naleven van wetgeving, aldus [appellant]. Hij wijst er tevens op dat hij door het college eerder wel als belanghebbende werd aangemerkt tijdens de hoorzitting in bezwaar.
3.1.     Artikel 8:1 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) luidt: "Een belanghebbende kan tegen een besluit beroep instellen bij de bestuursrechter."
Artikel 1:2, eerste lid, luidt: "Onder belanghebbende wordt verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken."
3.2.    Zoals de Afdeling heeft overwogen in de uitspraak van 23 augustus 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2271, geldt als uitgangspunt dat degene die rechtstreeks feitelijke gevolgen ondervindt van een activiteit die een besluit toestaat, in beginsel belanghebbende is bij dat besluit. Het criterium "gevolgen van enige betekenis" dat is vermeld in de uitspraak van de Afdeling van 16 maart 2016, ECLI:NL:RVS:2016:737, dient als correctie op dit uitgangspunt. Gevolgen van enige betekenis ontbreken indien de gevolgen wel zijn vast te stellen, maar de gevolgen van de activiteit voor de woon-, leef- of bedrijfssituatie van betrokkene dermate gering zijn dat een persoonlijk belang bij het besluit ontbreekt. Daarbij wordt acht geslagen op de factoren afstand tot, zicht op, planologische uitstraling van en milieugevolgen (onder andere geur, geluid, licht, trilling, emissie, risico) van de activiteit die het besluit toestaat, waarbij die factoren zo nodig in onderlinge samenhang worden bezien. Ook aard, intensiteit en frequentie van de feitelijke gevolgen kunnen van belang zijn.
3.3.    Vast staat dat [appellant] vanuit zijn eigen vakantiewoning geen zicht heeft op de vakantiewoning waar de omgevingsvergunning op ziet. De afstand tussen de twee vakantiewoningen bedraagt voorts ruim 200 m. De rechtbank heeft terecht overwogen dat de vergunde aanbouw, gelet op de geringe ruimtelijke uitstraling daarvan en de ligging ten opzichte van de vakantiewoning van [appellant], geen gevolgen van enige betekenis heeft voor [appellant] en dat hij niet als belanghebbende kan worden aangemerkt. De omstandigheid dat het om een afgesloten vakantiepark gaat biedt geen grond voor een ander oordeel. [appellant] onderscheidt zich qua ruimtelijke gevolgen die hij ondervindt van de vergunde aanbouw niet van andere eigenaren van vakantiewoningen op het vakantiepark. Dat het college [appellant] hangende bezwaar in de pleitnotitie abusievelijk wel als belanghebbende heeft aangeduid maakt voorts evenmin dat hij belanghebbende is bij de omgevingsvergunning.
Het betoog faalt.
4.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
5.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M. Kos, griffier.
w.g. Van Altena    w.g. Kos
lid van de enkelvoudige kamer    griffier
Uitgesproken in het openbaar op 21 augustus 2019
580.