ECLI:NL:RVS:2019:2862
Raad van State
- Hoger beroep
- J.J. van Eck
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid hoger beroep tegen afwijzing verblijfsvergunning asiel
De staatssecretaris heeft op 14 december 2018 de aanvraag van de vreemdeling om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen. De vreemdeling heeft hiertegen beroep ingesteld bij de rechtbank Den Haag, die dit beroep op 4 april 2019 ongegrond verklaarde.
De vreemdeling stelde vervolgens hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Tijdens het onderzoek werd vastgesteld dat het hoger beroep zich niet richtte tegen de uitspraak van de rechtbank, omdat de vreemdeling niet had toegelicht waarom deze uitspraak onjuist zou zijn.
Op grond van artikel 85 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 kon de Afdeling geen inhoudelijk oordeel geven over het hoger beroep. Daarom werd het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard en werd de staatssecretaris niet verplicht proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het hoger beroep van de vreemdeling is niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van een inhoudelijke motivering.