ECLI:NL:RVS:2019:2893

Raad van State

Datum uitspraak
28 augustus 2019
Publicatiedatum
28 augustus 2019
Zaaknummer
201807859/1/A1
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • G.M.H. Hoogvliet
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Weigering omgevingsvergunning voor tijdelijke bewoning en bijenhouderij in Hilvarenbeek

In deze zaak gaat het om het hoger beroep van [appellant A] en [appellant B] tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 9 augustus 2018. De rechtbank had het beroep van appellanten tegen de weigering van het college van burgemeester en wethouders van Hilvarenbeek om een omgevingsvergunning eerste fase te verlenen, gegrond verklaard voor een deel, maar het beroep tegen een andere beslissing ongegrond verklaard. De weigering betrof het tijdelijk bewonen van een gebouw en het vestigen van een bijenhouderij op een perceel in Hilvarenbeek, in afwijking van het bestemmingsplan. Het college had de vergunning geweigerd omdat het gebruik in strijd was met een goede ruimtelijke ordening en de geldende Verordening Ruimte. Appellanten stelden dat het college het gelijkheidsbeginsel had geschonden door de vergunning te weigeren, terwijl in een andere situatie aan de Ambrosiusweg 2c te Hilvarenbeek een andere planologische keuze was gemaakt. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft de zaak op 13 augustus 2019 ter zitting behandeld. De Afdeling oordeelde dat de rechtbank terecht had geoordeeld dat het college de vergunning mocht weigeren en dat er geen schending van het gelijkheidsbeginsel was. Ook de opgelegde last onder dwangsom werd door de Afdeling bevestigd, omdat deze voldoende duidelijk was geformuleerd. De Afdeling heeft het hoger beroep van appellanten ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Uitspraak

201807859/1/A1.
Datum uitspraak: 28 augustus 2019
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant A] en [appellant B], wonend te Hilvarenbeek,
tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 9 augustus 2018 in zaken nrs. 17/6662 en 17/7733 in het geding tussen:
[appellant A] en [appellant B]
en
het college van burgemeester en wethouders van Hilvarenbeek.
Procesverloop
Weigering omgevingsvergunning
Bij besluit van 9 maart 2017 heeft het college geweigerd om aan [appellant A] en [appellant B] omgevingsvergunning eerste fase te verlenen voor het in afwijking van het bestemmingsplan op het perceel [locatie] te Hilvarenbeek (hierna: het perceel) tijdelijk bewonen van een gebouw en tijdelijk vestigen van een bijenhouderij.
Bij besluit van 22 augustus 2017 heeft het college het door [appellant A] en [appellant B] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Tegen dit besluit hebben [appellant A] en [appellant B] beroep ingesteld.
Last onder dwangsom
Bij besluit van 9 mei 2017 heeft het college [appellant A] en [appellant B] onder oplegging van een dwangsom gelast het gebruik van het perceel en de zich daarop bevindende bouwwerken ten behoeve van bewoning te staken en gestaakt te houden en verschillende bouwwerken te verwijderen en verwijderd te houden.
Bij besluit van 7 november 2017 heeft het college het door [appellant A] en [appellant B] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Tegen dit besluit hebben [appellant A] en [appellant B] beroep ingesteld.
Bij besluit van 2 oktober 2018 heeft het college de aan het besluit van 7 november 2017 verbonden begunstigingstermijn verlengd totdat de voorzieningenrechter van de Afdeling uitspraak heeft gedaan op het door [appellant A] en [appellant B] ingediende verzoek om voorlopige voorziening.
Uitspraak rechtbank en hoger beroep
Bij uitspraak van 9 augustus 2018 heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 22 augustus 2017 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van dat besluit in stand blijven, en het beroep tegen het besluit van 7 november 2017 ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak hebben [appellant A] en [appellant B] hoger beroep ingesteld.
[appellant A] en [appellant B] hebben nadere stukken ingediend.
Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 13 augustus 2019, waar het college, vertegenwoordigd door mr. J. Gielen en mr. S.A.M. van Berkel, is verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1.    [appellant A] en [appellant B] zijn (deels) eigenaren en gebruikers van het perceel. Op 8 december 2015 heeft een toezichthouder van de gemeente geconstateerd dat op het perceel in afwijking van het bestemmingsplan "Buitengebied" (hierna: het bestemmingsplan) diverse bouwwerken zijn opgericht en worden gebruikt, zonder dat daarvoor de vereiste omgevingsvergunning is verleend.
Op 27 december 2016 heeft [appellant A] omgevingsvergunning gevraagd voor de activiteit afwijken van het bestemmingsplan voor het voor een periode van tien jaar bewonen van een voormalig clubhuis en gebruiken van de overige bestaande bebouwing op het perceel ten behoeve van een bijenhouderij. Het college heeft de gevraagde vergunning geweigerd omdat het het gevraagde gebruik in strijd acht met een goede ruimtelijke ordening en met de geldende Verordening Ruimte. Het acht de uitvoerbaarheid niet aangetoond en acht evenmin aangetoond dat rekening wordt gehouden met aanwezige waarden, behorende bij de geldende bestemming "Bos". [appellant A] en [appellant B] kunnen zich hiermee niet verenigen.
Bij besluit van 9 mei 2017 heeft het college [appellant A] en [appellant B] onder oplegging van een dwangsom gelast om vóór 1 december 2017 het gebruik van het perceel en de zich daarop bevindende bouwwerken ten behoeve van bewoning te staken en gestaakt te houden en verschillende nader aangeduide bouwwerken vóór die datum te verwijderen en verwijderd te houden. Het college heeft de gestelde begunstigingstermijn enkele malen verlengd, laatstelijk totdat de voorzieningenrechter van de Afdeling uitspraak zou doen op het door [appellant A] en [appellant B] ingediende verzoek om voorlopige voorziening. Bij uitspraak van 31 oktober 2018 heeft de voorzieningenrechter de last onder dwangsom, voor zover deze ziet op de bewoning, geschorst tot 1 februari 2019. [appellant A] en [appellant B] kunnen zich niet met de opgelegde last onder dwangsom verenigen.
Weigering omgevingsvergunning
2.    [appellant A] en [appellant B] betogen dat de rechtbank hun beroep op het gelijkheidsbeginsel onder verwijzing naar de situatie aan de Ambrosiusweg 2c te Hilvarenbeek ten onrechte heeft verworpen op grond van de enkele overweging dat in die situatie een andere planologische keuze is gemaakt.
2.1.    De rechtbank heeft terecht in aanmerking genomen dat ingevolge het bestemmingsplan op de gronden aan de Ambrosiusweg 2c de bestemming "Recreatie-Recreatiewoning" rust, terwijl op het perceel van [appellant A] en [appellant B] de bestemming "Bos" rust. Bovendien is niet-recreatieve bewoning voor een periode van tien jaar, waarop de afgewezen aanvraag van [appellant A] en [appellant B] onder meer betrekking heeft, ook onder de bestemming "Recreatie-Recreatiewoning" niet toegestaan, zoals het college ter zitting heeft bevestigd. Reeds daarom heeft de rechtbank in de situatie aan de Ambrosiusweg 2c terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat het college het gelijkheidsbeginsel heeft geschonden door de gevraagde omgevingsvergunning te weigeren.
Het betoog faalt.
Last onder dwangsom
3.    [appellant A] en [appellant B] betogen dat de rechtbank heeft miskend dat de opgelegde last onvoldoende duidelijk geformuleerd is. Volgens hen is de uitleg die de rechtbank aan de last geeft onbegrijpelijk en biedt deze onvoldoende duidelijkheid en rechtszekerheid.
3.1.    Het college heeft in zijn schriftelijke uiteenzetting aangevoerd dat de beroepsgrond over de formulering van de last pas ter zitting van de rechtbank naar voren is gebracht en dat de rechtbank deze beroepsgrond daarom wegens strijd met een goede procesorde buiten beschouwing had moeten laten. Nog daargelaten de vraag welke consequenties de Afdeling hieraan zou moeten verbinden, nu het college zelf geen hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank heeft ingesteld, ziet de Afdeling geen aanleiding om het college in zijn standpunt te volgen. Niet is gebleken dat het college ter zitting van de rechtbank niet adequaat heeft kunnen reageren op deze beroepsgrond. Daar komt bij dat de rechtbank de beroepsgrond heeft verworpen en dat het college zijn standpunt over de formulering van de last in het kader van het hoger beroep van [appellant A] en [appellant B] alsnog nader heeft kunnen toelichten.
3.2.    Voor zover het betoog van [appellant A] en [appellant B] is gericht tegen de onduidelijkheid van de uitleg die de rechtbank aan de last geeft, overweegt de Afdeling dat niet deze uitleg, maar de inhoud van de last zelf, zoals vervat in het besluit van 9 mei 2017 en in stand gelaten bij besluit van 7 november 2017, bepalend is voor de vraag of het college deze last mocht opleggen. De last houdt in dat de geconstateerde overtredingen ongedaan gemaakt moeten worden door het gebruik van het perceel en de zich daarop bevindende bouwwerken ten behoeve van bewoning te staken en gestaakt te houden, en door de illegale bouwwerken op het perceel te verwijderen en verwijderd te houden. Daarbij is in de last aan de hand van aanduidingen van de aard en de afmetingen geconcretiseerd om welke illegale bouwwerken het gaat. Gelet op deze specificering ziet de Afdeling niet in dat redelijkerwijs misverstand kan bestaan over de inhoud en reikwijdte van de last. Te meer nu [appellant A] en [appellant B] in hoger beroep niet hebben toegelicht waarom de last volgens hen niettemin onvoldoende duidelijk is geformuleerd, bestaat geen grond voor het oordeel dat de rechtbank tot die conclusie had moeten komen. Overigens heeft het college ter zitting naar voren gebracht dat intussen geheel aan de last is voldaan.
Het betoog faalt.
Slotoverwegingen
4.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
5.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. G.M.H. Hoogvliet, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J.N. Witsen, griffier.
w.g. Hoogvliet    w.g. Witsen
lid van de enkelvoudige kamer    griffier
Uitgesproken in het openbaar op 28 augustus 2019
727.