Uitspraak
Datum uitspraak: 28 augustus 2019
BESTUURSRECHTSPRAAK
voorzitter griffier
Raad van State
Appellante exploiteert kinderdagverblijven en ontving een subsidie van €176.000 op grond van de PUK-regeling voor de realisatie van 176 kindplaatsen in Lijnden Q4. Door vertragingen en het niet nakomen van de koopovereenkomst door een dochteronderneming werd het project niet gerealiseerd. Het college stelde de subsidie uiteindelijk vast op €30.053,45 en vorderde het restant terug.
Appellante stelde dat de subsidie niet teruggevorderd mocht worden vanwege een finale kwijting die was overeengekomen bij de ontbinding van de koopovereenkomst, en dat de subsidie hoger had moeten worden vastgesteld vanwege gemaakte kosten. De rechtbank wees deze gronden af en oordeelde dat de directeur die de ontbindingsovereenkomst sloot niet bevoegd was om afspraken over de subsidie te maken.
De Raad van State bevestigt het oordeel van de rechtbank. Er was geen geldige finale kwijting die de subsidie omvatte, noch een geldige toezegging over het niet-terugvorderen. Ook de vaststelling van de subsidie op basis van de gemaakte kosten voor het Lijnden-project was niet onredelijk. Het beroep van appellante wordt ongegrond verklaard.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt dat het college terecht de subsidie heeft teruggevorderd en verklaart het hoger beroep ongegrond.