ECLI:NL:RVS:2019:2968
Raad van State
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Voorlopige voorziening inzake afwijzing machtiging tot voorlopig verblijf vreemdelingen
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees op 9 augustus 2017 een aanvraag van twee vreemdelingen om een machtiging tot voorlopig verblijf af. Hiertegen maakten de vreemdelingen bezwaar, dat op 25 juli 2018 ongegrond werd verklaard door de staatssecretaris. De rechtbank Den Haag verklaarde het beroep van de vreemdelingen op 12 juli 2019 gegrond, vernietigde het besluit en bepaalde dat de staatssecretaris binnen zes weken een nieuw besluit moest nemen met inachtneming van de uitspraak.
De staatssecretaris stelde hiertegen hoger beroep in en verzocht de voorzieningenrechter van de Raad van State om een voorlopige voorziening te treffen zodat hij het nieuwe besluit niet hoeft te nemen voordat het hoger beroep is beslist. De vreemdelingen gaven een schriftelijke reactie op dit verzoek.
De voorzieningenrechter oordeelde dat het niet aannemelijk is dat de uitspraak van de rechtbank in stand blijft en dat de belangen van de staatssecretaris en de vreemdelingen in aanmerking genomen, een voorlopige voorziening passend is. Daarom werd bepaald dat de staatssecretaris geen nieuw besluit hoeft te nemen over het bezwaar totdat de Afdeling bestuursrechtspraak op het hoger beroep heeft beslist. Proceskosten werden niet toegewezen.
Uitkomst: De staatssecretaris hoeft geen nieuw besluit te nemen over het bezwaar totdat het hoger beroep is beslist.