ECLI:NL:RVS:2019:2969

Raad van State

Datum uitspraak
29 augustus 2019
Publicatiedatum
29 augustus 2019
Zaaknummer
201809919/1/V1
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 6:19 AwbArt. 6:24 AwbArt. 91 Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging uitspraak rechtbank en verwijzing beroep in vreemdelingenzaak

Bij besluit van 9 maart 2016 wees de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om een machtiging tot voorlopig verblijf af. De vreemdeling maakte bezwaar, dat in april 2018 opnieuw ongegrond werd verklaard. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling tegen dit besluit gegrond en vernietigde het bezwaarbesluit, met opdracht aan de staatssecretaris een nieuw besluit te nemen.

De staatssecretaris stelde hiertegen hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Deze oordeelde dat het hoger beroep kennelijk ongegrond was en bevestigde het vonnis van de rechtbank. Het beroep tegen het nieuwe bezwaarbesluit van 13 februari 2019 werd naar de rechtbank verwezen voor verdere behandeling.

De Afdeling veroordeelde de staatssecretaris tot vergoeding van de proceskosten van de vreemdeling, vastgesteld op €512,00, en legde een griffierecht van €508,00 op. De uitspraak werd gedaan door de enkelvoudige kamer onder leiding van A.J.C. de Moor-van Vugt op 29 augustus 2019.

Uitkomst: Het hoger beroep van de staatssecretaris wordt afgewezen en het beroep tegen het bezwaarbesluit van februari 2019 wordt terugverwezen naar de rechtbank.

Uitspraak

201809919/1/V1.
Datum uitspraak: 29 augustus 2019
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam, van 20 november 2018 in zaak nr. 18/2963 in het geding tussen:
[de vreemdeling]
en
de staatssecretaris.
Procesverloop
Bij besluit van 9 maart 2016 heeft de staatssecretaris een aanvraag om de vreemdeling een machtiging tot voorlopig verblijf te verlenen, afgewezen.
Bij besluit van 16 april 2018 heeft de staatssecretaris het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar opnieuw ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 20 november 2018 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar neemt met inachtneming van de uitspraak.
Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld.
De vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. A. Jhingoer, advocaat te Rotterdam, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Bij besluit van 13 februari 2019 heeft de staatssecretaris het door de vreemdeling gemaakte bezwaar tegen het besluit van 9 maart 2016 opnieuw ongegrond verklaard.
De vreemdeling heeft tegen dit besluit beroep ingesteld.
Vervolgens is het onderzoek gesloten.
Overwegingen
1.    Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000).
2.    Het hoger beroep is kennelijk ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd.
3.    Het besluit van 13 februari 2019 wordt, gelet op artikel 6:24, gelezen in samenhang met artikel 6:19, eerste lid, van de Awb, geacht eveneens onderwerp te zijn van dit geding. De Afdeling ziet in dit geval aanleiding om het beroep tegen dat besluit krachtens artikel 6:19, vijfde lid, van de Awb ter behandeling en beslissing naar de rechtbank te verwijzen.
4.    De staatssecretaris moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.    bevestigt de aangevallen uitspraak;
II.    verwijst het beroep tegen het besluit van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid van 13 februari 2019, V-nummer […], ter behandeling en beslissing naar de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam;
III.    veroordeelt de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 512,00 (zegge: vijfhonderdtwaalf euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;
IV.    bepaalt dat van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een griffierecht van € 508,00 (zegge: vijfhonderdacht euro) wordt geheven.
Aldus vastgesteld door mr. A.J.C. de Moor-van Vugt, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. T. van Goeverden-Clarenbeek, griffier.
w.g. De Moor-van Vugt    w.g. Van Goeverden-Clarenbeek
lid van de enkelvoudige kamer    griffier
Uitgesproken in het openbaar op 29 augustus 2019
488-910.