ECLI:NL:RVS:2019:2981

Raad van State

Datum uitspraak
2 september 2019
Publicatiedatum
2 september 2019
Zaaknummer
201906065/2/V3
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 Vreemdelingenwet 2000Art. 8:81 Algemene wet bestuursrechtArt. 8:83 lid 3 Algemene wet bestuursrecht
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing voorlopige voorziening tegen uitzetting vreemdeling in hoger beroep

De staatssecretaris heeft op 12 december 2018 een aanvraag van de vreemdeling om een verblijfsdocument als gemeenschapsonderdaan afgewezen. De vreemdeling maakte bezwaar, dat op 6 maart 2019 ongegrond werd verklaard. Vervolgens verklaarde de rechtbank op 7 augustus 2019 het beroep van de vreemdeling ongegrond. Tegen deze uitspraak is hoger beroep ingesteld.

De vreemdeling verzocht de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State om een voorlopige voorziening te treffen, zodat zij niet zou worden uitgezet voordat op het hoger beroep was beslist. De voorzieningenrechter oordeelde dat niet aannemelijk was dat de uitspraak van de rechtbank zou worden vernietigd.

Gezien de belangen van beide partijen werd geen voorlopige voorziening getroffen en werd het verzoek afgewezen. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden. De uitspraak werd op 2 september 2019 in het openbaar gedaan door voorzieningenrechter C.J. Borman.

Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening tegen uitzetting wordt afgewezen.

Uitspraak

201906065/2/V3.
Datum uitspraak: 2 september 2019
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht), met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van die wet, hangende het hoger beroep van:
[de vreemdeling],
verzoekster,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 7 augustus 2019 in zaak nr. 19/2288 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
Procesverloop
Bij besluit van 12 december 2018 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om afgifte van een document als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000, waaruit rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan blijkt, afgewezen.
Bij besluit van 6 maart 2019 heeft de staatssecretaris het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 7 augustus 2019 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling hoger beroep ingesteld.
Voorts heeft de vreemdeling de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
Overwegingen
1.    De vreemdeling heeft de voorzieningenrechter verzocht de voorlopige voorziening te treffen dat zij niet wordt uitgezet voordat op het hoger beroep is beslist.
2.    Gelet op wat is aangevoerd, is naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter niet aannemelijk dat de uitspraak van de rechtbank zal worden vernietigd. Gelet op de belangen die de staatssecretaris en de vreemdeling naar voren heeft gebracht, treft de voorzieningenrechter geen voorlopige voorziening.
3.    Het verzoek wordt afgewezen. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. C.J. Borman, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. H. Vonk, griffier.
w.g. Borman    w.g. Vonk
voorzieningenrechter    griffier
Uitgesproken in het openbaar op 2 september 2019
345-872.