ECLI:NL:RVS:2019:2992
Raad van State
- Hoger beroep
- E. Steendijk
- G.M.H. Hoogvliet
- J.Th. Drop
- Rechtspraak.nl
Vaststelling ongegrondheid beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag op grond van Dublinverordening
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid nam het besluit om de asielaanvraag van de vreemdeling niet in behandeling te nemen op grond van de Dublinverordening. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling tegen dit besluit gegrond en bepaalde dat een nieuw besluit moest worden genomen met inachtneming van haar overwegingen.
De staatssecretaris stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak. De Raad van State oordeelde dat de rechtbank ten onrechte had geoordeeld dat de staatssecretaris onvoldoende had gemotiveerd waarom verklaringen van medereizigers over de behandeling door de Sloveense politie geen bewijswaarde hadden en dat de vreemdeling zich bij de Sloveense autoriteiten had moeten melden. Het interstatelijk vertrouwensbeginsel rechtvaardigt het standpunt van de staatssecretaris dat Slovenië adequaat kan optreden.
Voorts oordeelde de Raad dat de rechtbank ten onrechte had meegewogen dat de medische behandeling van de vreemdeling in Nederland een bijzondere omstandigheid vormde die de staatssecretaris zou moeten doen afzien van toepassing van de Dublinverordening. De medische situatie rechtvaardigt niet dat Nederland de asielaanvraag aan zich trekt, omdat Slovenië over vergelijkbare medische voorzieningen beschikt.
De Raad verklaarde het hoger beroep van de staatssecretaris gegrond, vernietigde de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het beroep van de vreemdeling ongegrond.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling tegen het besluit tot niet in behandeling nemen van zijn asielaanvraag wordt ongegrond verklaard.