ECLI:NL:RVS:2019:300
Raad van State
- Voorlopige voorziening
- A.B.M. Hent
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening tegen afwijzing machtiging voorlopig verblijf vreemdeling
Bij besluit van 11 mei 2017 wees de staatssecretaris een aanvraag van een vreemdeling om een machtiging tot voorlopig verblijf af. Na een bezwaarprocedure verklaarde de staatssecretaris het bezwaar ongegrond. De rechtbank Den Haag vernietigde dit besluit op 2 januari 2019 en bepaalde dat de staatssecretaris een nieuw besluit moet nemen.
De staatssecretaris stelde hiertegen hoger beroep in bij de Raad van State en verzocht om een voorlopige voorziening om uitvoering van de uitspraak van de rechtbank op te schorten. De voorzieningenrechter overwoog dat de staatssecretaris binnen negentien weken een nieuw besluit moet nemen en dat er geen spoedeisend belang was voor de voorlopige voorziening.
Daarom wees de voorzieningenrechter het verzoek om voorlopige voorziening af als kennelijk ongegrond. Tevens werd de staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van de vreemdeling en referent, die door een derde beroepsmatig waren verleend.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen en de staatssecretaris wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.