ECLI:NL:RVS:2019:3015
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging invordering dwangsommen wegens illegaal gebruik recreatiewoning
Het college van burgemeester en wethouders van Epe legde aan appellante dwangsommen op wegens het niet beëindigen van het gebruik van een recreatiewoning als hoofdverblijf. Het college vorderde in totaal € 25.000 aan dwangsommen, gebaseerd op meerdere controlerapporten die overtredingen constateerden.
Appellante stelde in hoger beroep dat de rechtbank ten onrechte niet had meegewogen dat er sprake was van selectief handhavingsbeleid en dat de dwangsommen disproportioneel waren. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat dergelijke gronden in beginsel in de procedure tegen het dwangsombesluit zelf aan de orde moeten worden gesteld en dat er geen bijzondere omstandigheden waren om hiervan af te wijken.
Verder voerde appellante aan dat het college had moeten afzien van invordering omdat het illegale gebruik inmiddels was gestaakt. De Afdeling overwoog dat het belang van invordering zwaarwegend is en dat het college redelijkerwijs mocht aannemen dat beëindiging ná de verbeurde termijnen geen reden is om af te zien van invordering of matiging. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep is ongegrond verklaard en de invordering van de dwangsommen door het college bevestigd.