ECLI:NL:RVS:2019:3026

Raad van State

Datum uitspraak
4 september 2019
Publicatiedatum
4 september 2019
Zaaknummer
201601663/5/R2
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:2 AwbArt. 6:19 Awb
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging bestemmingsplan Landelijk gebied Noord voor westelijk bouwvlak perceel

De raad van de gemeente Stichtse Vecht stelde op 2 december 2015 het bestemmingsplan "Landelijk gebied Noord" vast. Na tussenuitspraak van 4 oktober 2017 werd de raad opgedragen gebreken in het besluit te herstellen, wat leidde tot een wijziging op 6 maart 2018. Ook deze wijziging bevatte gebreken, waarop de Afdeling bestuursrechtspraak bij tussenuitspraak van 31 oktober 2018 opnieuw herstel eiste.

De raad wijzigde het plan opnieuw op 2 april 2019. De beroepen van appellanten tegen de besluiten van 2 december 2015 en 6 maart 2018 werden gegrond verklaard voor zover het westelijk bouwvlak van het perceel betroffen, omdat deze besluiten in strijd waren met artikel 3:2 van Pro de Algemene wet bestuursrecht. De beroepen tegen het besluit van 2 april 2019 werden ongegrond verklaard, aangezien appellanten geen zienswijze hadden ingediend tegen deze wijziging.

De Afdeling bestuursrechtspraak veroordeelde de raad tot vergoeding van proceskosten aan appellanten en tot vergoeding van griffierechten. Hiermee is het geschil over het bestemmingsplan voor het betreffende bouwvlak beslecht.

Uitkomst: De beroepen tegen de besluiten van 2 december 2015 en 6 maart 2018 worden gegrond verklaard en deze besluiten vernietigd voor het westelijk bouwvlak; het beroep tegen het besluit van 2 april 2019 wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

201601663/5/R2.
Datum uitspraak: 4 september 2019
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
1.    [appellant sub 1], wonend te [woonplaats],
2.    [appellant sub 2], wonend te [woonplaats],
en
de raad van de gemeente Stichtse Vecht,
verweerder.
Procesverloop
Bij besluit van 2 december 2015, kenmerk Z/14/36187-VB/15/05593, heeft de raad het bestemmingsplan "Landelijk gebied Noord" vastgesteld.
Bij tussenuitspraak van 4 oktober 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2672, heeft de Afdeling de raad opgedragen om binnen 26 weken na de verzending van de tussenuitspraak de daarin geconstateerde gebreken in het besluit van 2 december 2015 te herstellen.
Ter uitvoering van de tussenuitspraak heeft de raad bij besluit van 6 maart 2018, kenmerk Z/17/122745-VB/18/09259, het bestemmingsplan "Landelijk gebied Noord" gewijzigd.
Bij tussenuitspraak van 31 oktober 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3519, heeft de Afdeling de raad opgedragen om binnen 16 weken na de verzending van de tussenuitspraak de daarin geconstateerde gebreken in het besluit van 6 maart 2018 te herstellen.
Deze termijn is bij beschikking van 1 februari 2019 verlengd tot 3 april 2019.
Ter uitvoering van de tussenuitspraak van 31 oktober 2018 heeft de raad bij besluit van 2 april 2019, het bestemmingsplan "Landelijk gebied Noord" gewijzigd.
De Afdeling heeft bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft. Vervolgens heeft de Afdeling het onderzoek gesloten.
Overwegingen
1.    De Afdeling heeft in de tussenuitspraak van 4 oktober 2017 overwogen dat het plan gebreken bevat voor zover het betrekking heeft op het westelijke bouwvlak voor het perceel [locatie 1] (onder 6.1. en 6.2). In deze tussenuitspraak is de raad opgedragen om het plan in zoverre te herstellen.
De Afdeling heeft in de tussenuitspraak van 31 oktober 2018 overwogen dat het besluit van 6 maart 2018 waarbij het plan is gewijzigd gebreken bevat voor zover het betrekking heeft op het westelijke bouwvlak voor het perceel [locatie 2]-[locatie 1] (onder 9.2, 9.3 en 10.2). In deze tussenuitspraak is de raad opgedragen om het plan in zoverre te herstellen.
Deze gebreken leiden tot het oordeel dat ten aanzien van het bedoelde plandeel beide besluiten tot het vaststellen van het plan zijn genomen in strijd met artikel 3:2 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). De beroepen van [appellant sub 1] en [appellant sub 2] zijn gegrond, zodat de bestreden besluiten in zoverre dienen te worden vernietigd.
2.    De raad heeft bij besluit van 2 april 2019 naar aanleiding van de genoemde gebreken het plan gewijzigd.
3.    Het besluit van 2 april 2019 is ingevolge artikel 6:19 van Pro de Awb mede onderwerp van het geding. De beroepen van [appellant sub 1] en [appellant sub 2] worden geacht mede te zijn gericht tegen dit besluit.
4.    [appellant sub 1] en [appellant sub 2] hebben naar aanleiding van het besluit van 2 april 2019 geen zienswijze ingediend. De Afdeling leidt hieruit af dat zij geen bezwaren hebben tegen dit besluit. Het van rechtswege ontstane beroep is ongegrond.
5.    De raad dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.    verklaart de beroepen van [appellant sub 1] en [appellant sub 2] tegen de besluiten van 2 december 2015 en 6 maart 2018 gegrond;
II.    vernietigt het besluit van 2 december 2015, kenmerk Z/14/36187-VB/15/05593, zoals gewijzigd bij het besluit van 6 maart 2018, kenmerk Z/17/122745-VB/18/09259, voor zover dit betreft het westelijke bouwvlak voor het perceel [locatie 2]-[locatie 1];
III.    verklaart de beroepen tegen het besluit van 2 april 2019 tot wijziging van het bestemmingsplan "Landelijk gebied Noord" ongegrond;
IV.    veroordeelt de raad van de gemeente Stichtse Vecht tot vergoeding van bij [appellant sub 1] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.821,51 (zegge: achttienhonderdeenentwintig euro en eenenvijftig cent), waarvan een bedrag van € 1.792,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;
veroordeelt de raad van de gemeente Stichtse Vecht tot vergoeding van bij [appellant sub 2] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.792,00 (zegge: zeventienhonderdtweeënnegentig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;
V.    gelast dat de raad van de gemeente Stichtse Vecht aan appellanten het door hen voor de behandeling van de beroepen betaalde griffierecht ten bedrage van € 168,00 (zegge: honderdachtenzestig euro) voor [appellant sub 1] en € 167,00 (zegge: honderdzevenenzestig euro) voor [appellant sub 2] vergoedt;
Aldus vastgesteld door mr. J.A. Hagen, voorzitter, en mr. E. Helder en mr. J. Kramer, leden, in tegenwoordigheid van mr. M. Scheele, griffier.
w.g. Hagen    w.g. Scheele
voorzitter    griffier
Uitgesproken in het openbaar op 4 september 2019
723.