ECLI:NL:RVS:2019:3061
Raad van State
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Voorlopige voorziening tegen uitvoering uitspraak rechtbank inzake machtiging voorlopig verblijf
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid had op 16 februari 2018 een aanvraag van een vreemdeling om een machtiging tot voorlopig verblijf afgewezen. Na een bezwaarprocedure verklaarde de staatssecretaris het bezwaar ongegrond. De rechtbank Den Haag oordeelde op 16 juli 2019 dat het besluit van de staatssecretaris vernietigd moest worden en dat een nieuw besluit op bezwaar moest worden genomen.
De staatssecretaris stelde hiertegen hoger beroep in bij de Raad van State en verzocht tevens om een voorlopige voorziening om te voorkomen dat het nieuwe besluit op bezwaar al genomen zou worden voordat het hoger beroep was behandeld. De vreemdeling gaf een schriftelijke reactie op dit verzoek.
De voorzieningenrechter van de Raad van State oordeelde dat het niet aannemelijk was dat de uitspraak van de rechtbank in stand zou blijven en dat er aanleiding was de voorlopige voorziening toe te wijzen. Hierdoor hoeft de staatssecretaris geen nieuw besluit op bezwaar te nemen voordat het hoger beroep is beslist. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: De staatssecretaris hoeft geen nieuw besluit op bezwaar te nemen voordat het hoger beroep is beslist.