ECLI:NL:RVS:2019:3063
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing aanvraag verblijfsvergunning asiel na hoger beroep
De vreemdeling had een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, welke door de staatssecretaris op 2 januari 2019 werd afgewezen. De rechtbank verklaarde het daarop ingestelde beroep op 19 februari 2019 ongegrond. De vreemdeling stelde hoger beroep in bij de Raad van State.
De vreemdeling klaagde dat de rechtbank niet had gemotiveerd waarom de door hem meegebrachte getuigen niet onder ede waren gehoord. De Raad van State oordeelde echter dat de rechtbank terecht had afgezien van het horen van deze getuigen, omdat dit niet zou bijdragen aan de beoordeling van de zaak, mede omdat de vreemdeling zelf geen aannemelijke verklaringen over zijn geaardheid had gegeven.
Verder werden de overige aangevoerde gronden door de Raad van State niet als voldoende gegrond beschouwd om de uitspraak van de rechtbank te vernietigen. Het hoger beroep werd daarom kennelijk ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het hoger beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de verblijfsvergunning asiel bevestigd.