ECLI:NL:RVS:2019:313
Raad van State
- Hoger beroep
- D.J.C. van den Broek
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing verzoek verwijdering politiegegevens uit Basisvoorziening Handhaving
Appellant verzocht op grond van artikel 28 Wpg Pro om verwijdering van drie registraties uit de Basisvoorziening Handhaving (BVH). De korpschef wees dit verzoek af omdat de gegevens ter zake dienend en niet bovenmatig waren. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, waarbij zij oordeelde dat de oudste registratie was vervallen en de overige registraties noodzakelijk waren voor politietaken.
In hoger beroep betoogde appellant dat de rechtbank ten onrechte geen inhoudelijke beoordeling gaf van de eerste registratie en dat de registraties niet proportioneel waren. De Afdeling oordeelde dat hoewel de eerste registratie uit de BVH was verwijderd, deze nog vijf jaar wordt bewaard voor klachtenafhandeling en verantwoording, waardoor appellant wel belang had bij inhoudelijke beoordeling. Desalniettemin bevestigde de Afdeling dat de registraties noodzakelijk en proportioneel zijn voor de uitvoering van de politietaak.
De Afdeling verwierp het verweer dat de registraties in strijd zijn met artikel 8 EVRM Pro en het recht om vergeten te worden, mede omdat de AVG nog niet van toepassing was ten tijde van de aanvraag. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd, met verbetering van de motivering.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit tot afwijzing van het verzoek tot verwijdering van politiegegevens blijft in stand.