ECLI:NL:RVS:2019:3144

Raad van State

Datum uitspraak
13 september 2019
Publicatiedatum
12 september 2019
Zaaknummer
201906279/2/A1
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1a WoningwetArt. 8:81 Awb
Verwijzingen
3 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen bestuursdwang woonbootverwijdering

Het college van burgemeester en wethouders van Bodegraven-Reeuwijk heeft bij besluit van 23 augustus 2017 de verwijdering van een woonboot op een perceel te Bodegraven gelast wegens overtreding van artikel 1a van de Woningwet. Dit besluit is na bezwaar en beroep door de rechtbank bevestigd. Verzoeker heeft vervolgens een voorlopige voorziening gevraagd om de effectuering van de bestuursdwang te voorkomen.

De voorzieningenrechter heeft vastgesteld dat het college terecht handhavend optreedt op grond van rapporten waaruit blijkt dat de woonboot gevaarlijk is voor de gezondheid van de bewoners en bezoekers. Verzoeker heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat het college niet bevoegd is of dat er bijzondere omstandigheden zijn die handhaving in de weg staan.

Hoewel het belang van het behoud van woonruimte zwaar weegt, is het college bereid eerst in gesprek te gaan met verzoeker en zorg te dragen voor onderdak indien nodig. Gezien deze omstandigheden is er geen reden om de uitspraak van de rechtbank en het bestuursdwangbesluit te schorsen. Het verzoek om voorlopige voorziening wordt daarom afgewezen.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen het bestuursdwangbesluit tot verwijdering van de woonboot wordt afgewezen.

Uitspraak

201906279/2/A1.
Datum uitspraak: 13 september 2019
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht) hangende het hoger beroep van:
[verzoeker], wonend te Bodegraven,
verzoeker,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 11 juli 2019 in zaak nr. 18/5334 in het geding tussen:
[verzoeker]
en
het college van burgemeester en wethouders van Bodegraven-Reeuwijk.
Procesverloop
Bij besluit van 23 augustus 2017 heeft het college [verzoeker] onder aanzegging van bestuursdwang gelast de op het perceel [locatie] te Bodegraven aanwezige woonboot te verwijderen en verwijderd te houden.
Bij besluit van 29 mei 2018 heeft het college het door [verzoeker] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 11 juli 2019 heeft de rechtbank het door [verzoeker] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [verzoeker] hoger beroep ingesteld.
Bij deze brief heeft [verzoeker] de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 5 september 2019, waar het college, vertegenwoordigd door mr. R.C. de Jong is verschenen. Voorts is [partij], vertegenwoordigd door mr. C.J.R. van Binsbergen, advocaat te Alphen aan den Rijn, en [gemachtigde], ter zitting gehoord.
Overwegingen
1.    Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.
2.    [verzoeker] woont op zijn woonschip dat sinds 1974 ligplaats heeft ingenomen op de locatie [locatie] (hierna: de locatie). Naar aanleiding van een verzoek van [partij] heeft het college besloten handhavend op te treden. Het college heeft hieraan overtreding van artikel 1a, eerste en tweede lid, van de Woningwet ten grondslag gelegd. Volgens het college blijkt uit controlerapporten van 12 maart 2015 en 28 juni 2016 en een onderzoeksrapport van Doorn B.V. van 4 april 2017 dat de staat van de woonboot gevaarlijk is voor de gezondheid van [verzoeker] en de eventuele andere gebruikers en bezoekers van de woonboot. Vast staat dat de begunstigingstermijn is verstreken en dat het college van plan is om het besluit te effectueren.
3.    De rechtbank heeft, kort samengevat, overwogen dat het college het advies van Doorn B.V. aan het besluit ten grondslag heeft kunnen leggen. Daarbij heeft de rechtbank van belang geacht dat [verzoeker] de bevindingen en conclusies uit het rapport van Doorn B.V. niet heeft bestreden en niet aannemelijk heeft gemaakt dat dit advies niet deugdelijk is. Volgens de rechtbank is de enkele stelling dat het schip niet zinkende is onvoldoende om de conclusies uit het voormelde onderzoek te weerleggen. Verder heeft de rechtbank overwogen dat het college aan het belang van een veilig bewonen en kunnen betreden van de boot in redelijkheid een groter gewicht heeft kunnen toekennen dan aan het belang van [verzoeker] bij behoud van de bestaande situatie en is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake van concreet zicht op legalisatie.
4.    De voorzieningenrechter begrijpt het verzoek van [verzoeker] aldus dat hij de effectuering van de last onder bestuursdwang wenst te voorkomen.
5.    In hetgeen [verzoeker] heeft aangevoerd ziet de voorzieningenrechter geen grond voor het oordeel dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college bevoegd is handhavend op te treden tegen overtreding van artikel 1a van de Woningwet vanwege de staat van de woonboot. Daarnaast ziet de voorzieningenrechter geen grond voor het oordeel dat de rechtbank niet heeft onderkend dat sprake is van bijzondere omstandigheden op grond waarvan het college in dit geval gehouden was van handhavend optreden af te zien. Gelet op het voorgaande ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding voor het oordeel dat op voorhand moet worden aangenomen dat de aangevallen uitspraak in de bodemprocedure niet in stand zal blijven of dat uiteindelijk zal blijken dat het college niet in redelijkheid handhavend heeft kunnen optreden.
6.    De voorzieningenrechter ziet gelet op de bij de besluiten betrokken belangen evenmin aanleiding tot schorsing van de rechtbankuitspraak en het besluit van 23 augustus 2017 en overweegt daartoe het volgende.
Het college heeft ter zitting van de voorzieningenrechter nader toegelicht dat het college voorafgaand aan de daadwerkelijke toepassing van de bestuursdwang eerst in gesprek zal gaan met [verzoeker] en dat indien [verzoeker] niet elders onderdak kan vinden, het college zorg zal dragen voor onderdak indien de woonboot zal worden verwijderd met toepassing van bestuursdwang. Weliswaar kan in deze procedure een zwaarwegend gewicht worden toegekend aan het behouden van de woonruimte voor [verzoeker], maar dat leidt in dit geval, mede gelet op de zorg voor onderdak voor [verzoeker], niet tot een andere uitkomst.
7.    Gelet hierop bestaat aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.
8.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. R. Uylenburg, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. S. Vermeulen, griffier.
w.g. Uylenburg    w.g. Vermeulen
voorzieningenrechter    griffier
Uitgesproken in het openbaar op 13 september 2019
700.