ECLI:NL:RVS:2019:3152
Raad van State
- Hoger beroep
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep niet-ontvankelijk wegens ontbreken van gemotiveerd verweer tegen beëindiging rechtmatig verblijf gemeenschapsonderdaan
De staatssecretaris heeft bij besluit van 26 februari 2018 het rechtmatig verblijf van de vreemdeling als gemeenschapsonderdaan beëindigd en haar bevolen Nederland binnen vier weken te verlaten. De vreemdeling maakte bezwaar tegen dit besluit, dat op 27 november 2018 ongegrond werd verklaard. Vervolgens stelde zij beroep in bij de rechtbank Den Haag, welke op 4 juni 2019 het beroep ongegrond verklaarde.
De vreemdeling stelde hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Tijdens de behandeling van het hoger beroep bleek dat de vreemdeling niet heeft toegelicht waarom de uitspraak van de rechtbank onjuist zou zijn. Hierdoor kon de Afdeling geen inhoudelijk oordeel geven over het hoger beroep.
Op grond van artikel 85 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 werd het hoger beroep daarom niet-ontvankelijk verklaard. De staatssecretaris werd niet verplicht tot vergoeding van proceskosten. De uitspraak werd gedaan door de enkelvoudige kamer van de Afdeling bestuursrechtspraak op 13 september 2019.
Uitkomst: Het hoger beroep van de vreemdeling is niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van een gemotiveerd verweer.