ECLI:NL:RVS:2019:3158
Raad van State
- Hoger beroep
- J.J. van Eck
- Rechtspraak.nl
Vernietiging en terugwijzing van intrekking verblijfsvergunning asiel en inreisverbod
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid heeft bij besluit van 19 juni 2017 de verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd van de vreemdeling ingetrokken en een inreisverbod uitgevaardigd. De vreemdeling stelde hiertegen beroep in bij de rechtbank Den Haag, die dit beroep op 11 september 2018 niet-ontvankelijk verklaarde wegens het ontbreken van gronden volgens artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder d, van de Awb.
De vreemdeling ging in hoger beroep bij de Raad van State en betoogde dat zijn brief van 16 november 2017 wel degelijk voldoende gronden bevatte om ontvankelijk te zijn. De Raad van State oordeelde dat de rechtbank ten onrechte het beroep niet-ontvankelijk had verklaard, omdat de brief van de vreemdeling voldeed aan de eisen van artikel 6:5 Awb Pro, ook al waren de gronden summier weergegeven.
De Raad van State verklaarde het hoger beroep gegrond, vernietigde de uitspraak van de rechtbank en verwees de zaak terug naar de rechtbank voor inhoudelijke behandeling met inachtneming van de overwegingen. Tevens werd de staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van €512,00 die verband houden met de behandeling van het hoger beroep.
Uitkomst: Het hoger beroep is gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank vernietigd en de zaak terugverwezen voor inhoudelijke behandeling.